Zelf draaide hij ook mee in Startupbootcamp. Dat was in 2014, als medeoprichter van Tom Kabinet, de startup in tweedehands e-boeken die het ‘klasje’ E & M-commerce volgde. Elf jaar later moet Marc Jellema, inmiddels ceo van Startupbootcamp, bekendmaken dat de accelerator in Nederland stopt met zijn programma.
Organisator en zusterbedrijf Ac-celerator, dat dit jaar nog in totaal negentig startups door Startupbootcamp loodste, is dinsdag failliet verklaard, net als Innoleaps, waarmee de startupbegeleider corporates hielp innoveren. ‘Het is dood- en doodzonde’, zegt Jellema. ‘En vóór alles echt heel triest voor alle mensen die zich er zo hard voor hebben ingezet.’
Wat er misging? Startupbootcamp Amsterdam kreeg zijn model niet rond. Een startup accelerator begeleidt groepjes startups, voorziet ze van mentoren, een netwerk, expertise en een beetje kapitaal om ze een stap verder te krijgen in hun ontwikkeling. In ruil daarvoor vragen accelerators in de regel aandelen in die startups, vaak 5 of 8 procent. Met, net als bij venture capitalinvesteerders, de hoop en verwachting dat sommige startups zóveel waarde creëren, dat de exits de kosten van het programma ruimschoots kunnen bedruipen.
Lees ook: Accelerators soms lastig voor startups: ‘Het was keihard onderhandelen’
Verdienmodel uit exits en sponsors
Dan moeten die exits wel een beetje op tijd komen, en ook met een zekere regelmaat, want een accelerator maakt meer kosten dan een vc. Bovendien delen, net als bij een vc, de investeerders achter de accelerator het meest in de verkoopopbrengsten. Daarom leunde Startupbootcamp, in 2011 naar Nederland gehaald door oud-Endemol kopstuk Ruud Hendriks en wijlen Patrick de Zeeuw, niet alleen op de inkomsten uit investeringen.
Net als andere accelerators hadden veel programma’s sponsors, grote banken of energiebedrijven bijvoorbeeld, die op de eerste rij wilden zitten bij de innovatie en het ondernemerschap waarvan de startups bruisten. Vaak ook letterlijk, tijdens de demo days waarop de ondernemers na drie maanden in de snelkookpan presenteerden hoe ze de wereld gingen veranderen.
Afnemende corporate interesse
Die innovatie en ondernemerschap bracht Startupbootcamp Amsterdam, net als concurrenten, ook binnen de muren van de corporates als een bijzondere vorm van training en consultancy. Maar ook die extra pijlers onder het model vertoonden de laatste jaren scheuren, als je Jellema hoort.
‘En dat geldt niet alleen voor Startupbootcamp. Het aanbod aan startups is schraler geworden, maar ook aan de corporate innovatiekant werd het steeds lastiger om geld te verdienen. Corporates zeggen: we hebben dit een paar jaar geprobeerd om bijvoorbeeld nieuwe producten en diensten in de markt te zetten, nu wordt het tijd voor iets anders.’
Lees ook: Corporate venturing: de 3 grootste obstakels die succes in de weg staan
Portfolio met honderden startups
In Italië, Australië en Georgië gaan de programma’s van Startupbootcamp nog door, maar in Nederland beperkt het bedrijf van Jellema zich tot het beheer van de portfolio met de aandelen in een massa startups die de afgelopen vijftien jaar zijn begeleid. ‘Honderden zijn het er nog, al bestaan ze niet allemaal meer’, zegt Jellema.
‘In de beginperiode rekende je als investeerder op een exit na drie tot vijf jaar, dat werd op een gegeven moment vijf tot zeven jaar en daarna nog langer. We hebben nu startups waarin we al twaalf jaar aandelen bezitten die we nog niet hebben verkocht via een overname of een beursgang. Dat helpt ook niet bij de lage marges waarmee we moeten werken.’
Y Combinator als grote voorbeeld
Het klopt dat Startupbootcamp niet de enige accelerator is die worstelde met zijn model. In 2011 startten meer clubs naar het voorbeeld van het Amerikaanse Y Combinator en 500 Startups met het begeleiden van prille startups. Sommigen noemden zichzelf business incubator, omdat ook ondernemers die nog niet eens naar de Kamer van Koophandel waren gegaan, welkom waren. Een accelerator pakt strikt genomen al wat langer bestaande startups op om ze een zwieper te geven.
Founder Institute kwam in die tijd zelf over van de VS, maar bleek geen blijvertje. Dat gold wel voor Rockstart, een andere collega van Startupbootcamp. Dat heeft zichzelf echter al in 2019 omgevormd van accelerator tot vroege fase-investeerder, met fondsen gericht op agrifood, energie en opkomende technologie.
Rockstart verdiende weinig aan exits
Oprichter Oscar Kneppers is al een flinke tijd niet meer betrokken bij Rockstart, maar herinnert zich nog goed de hausse aan incubators en accelerators. ‘Het was de tijd waarin technologie opkwam die bedrijven snel schaalbaar maakte. En je had mensen als Eric Ries, die het denken over hoe je een startup opzet en een succesvol businessmodel uitvindt compleet veranderde. Het was in eens makkelijker, sneller en goedkoper dan ooit om een bedrijf succesvol te krijgen.’
Maar zelfs scaleup-successen als dat van 3D Hubs, het platform voor industrieel 3D-printen dat in 2021 voor 330 miljoen dollar werd overgenomen, was niet voldoende om de kosten van de programma’s te dekken. ‘Daar hadden we dus ooit 15.000 euro in gestoken, maar Rockstart zelf verdiende niet zo gek veel aan exits. Dat ging – terecht – grotendeels naar onze investeerders en natuurlijk de founders. We rekenden op minimaal één exit per batch van tien startups. Daarom waren de getallen zo belangrijk: meer startups is meer kansen.’
HightechXL werd venture builder
HightechXL, ooit ontstaan als een Eindhovense spin-off van Startupbootcamp die het Brabantse deeptech-ecosysteem opzocht, draait ook geen programma’s meer. ‘Accelerators hebben wereldwijd en ook in Nederland te maken met uitdagingen’, reageert ceo John Bell. ‘Dat is een van de redenen waarom we onze scope zes jaar geleden hebben aangepast en zijn verdergegaan als venture builder. Destijds waren we een van de eerste met die aanpak: beginnen met IP en daar een team bij zoeken om een bedrijf te bouwen.’
HightechXL zit letterlijk dichtbij de bron: bij TU Eindhoven liggen talent en uitvindingen bij wijze van spreken voor het oprapen. Dat maakt het leven van de accelerators die verbonden zijn aan universiteiten ogenschijnlijk makkelijker. Hoewel?
Stekker uit Amsterdamse incubator ACE
Kneppers ontwikkelde vanaf 2023 het ambitieuze plan om van ACE, de academische startup incubator van de universiteiten, het UMC en hogeschool HvA in Amsterdam, een formidabele startupfabriek te maken. Mede dankzij een fonds van 500 miljoen euro moest zijn nieuwe droom, Caempus, jaarlijks honderden spin-outs opleveren.
ACE bestond al twintig jaar en bracht in die tijd circa 200 startups voort. Maar afgelopen januari gooide Kneppers de handdoek in de ring en ging de stekker eruit. Hij legde onlangs in universiteitsblad Folia uit dat hij de kennisinstellingen niet op één lijn had gekregen. Het liep vooral spaak op het geld om ACE draaiend te houden. Dat bedrag werd op verzoek van Kneppers verhoogd van 5 ton naar 7,5 ton per jaar, maar om ook het investeringsfonds op te kunnen zetten was ruim een miljoen euro per jaar nodig.
‘Het idee was dat we daarmee de tijd kochten om die 500 miljoen binnen te halen, waarna ACE zichzelf kon bedruipen en de bijdrage van de aandeelhouders symbolisch zou worden.’ Dat zagen de geldschieters, die van het kabinet-Schoof ook een gevoelige bezuiniging voor hun kiezen hadden gekregen, uiteindelijk niet zitten.
Yes!Delft draait door
Staan alle incubators en accelerators dan op omvallen? Nope. In Delft vierde Yes!Delft in oktober nog zijn 20ste verjaardag, na een geschiedenis waarin het meer dan 500 startups vanaf nul tot soms grote hoogte optrok. Samen hebben die bedrijven tegen een miljard aan kapitaal opgehaald en zijn ze goed voor 10.000 banen, rekende ceo Ras Lalmy toen voor.
Maar hij keek ook vooruit, terwijl de champagne werd gesabreerd: ‘We hebben een machine neergezet waarvan we na twintig jaar weten dat die werkt. Daarom willen we verdubbelen wat we nu doen: de komende vijf jaar willen we 250 startups helpen.’
Lees ook: Yes!Delft heeft al 500 startups begeleid, ‘maar ze moeten zo snel mogelijk dit gebouw uit’
Het klopt, zegt Lalmy nu, dat ook Yes!Delft zichzelf niet kan bedruipen. Puntje van orde: anders dan de ‘commerciële’ incubators vraagt Yes!Delft geen aandelen van de startups. Sinds kort geldt een succesfee als ze een bepaalde omzet bereiken of een mooie exit beleven. ‘Dat zullen geen miljoenen worden, en ook niet altijd tonnen.’
Publieke aandeelhouders dragen de kosten
Zijn aandeelhouders TU Delft, de Erasmus Universiteit Rotterdam en de gemeente Delft dragen deels de kosten van het programma. Hoeveel dat jaarlijks is, wil Lalmy niet kwijt. Wel dat hij heel graag een keer voor een langere periode een toezegging krijgt. ‘Het mag wat structureler. We kunnen prima aantonen wat een enorme meerwaarde we hebben voor onze stakeholders, een sterk innovatie-ecosysteem moet je koesteren, zeker in een klein land als Nederland.’
Lalmy snapt wel dat het begeleiden van startups in de allervroegste fase als verdienmodel niet overal werkt. ‘Je opereert helemaal aan het begin, waarin de onzekerheid en risico’s het allergrootst zijn. Eigenlijk is dat een fase die je misschien als een publieke taak moet opvatten: zorgen voor een gezonde dealflow met veelbelovende startups die investeerders verder oppakken.’
Volume nodig voor succes
Dat hij aanschurkt tegen de universiteiten en kennisgigant TNO biedt een mooie uitgangspositie. Een tweede pilaar onder het relatieve succes van Yes!Delft: zijn omvang en legacy. ‘Je hebt echt volume nodig, en een systeem waarin founders van succesvolle startups terugkeren om zich als mentor of investeerder in te zetten voor een nieuwe generatie. Dat vliegwiel begint hier nu goed op gang te komen, maar dat heeft wel tijd nodig. Je komt er niet met het af en toe een zetje te geven.’
Is de tijd van de commerciële accelerators dan een beetje voorbij? ‘Je zou het wel denken’, zegt Kneppers. ‘Vergeleken met die beginperiode is de wereld natuurlijk opnieuw enorm veranderd. Is het nog stukken makkelijker geworden om een mentor te vinden, of een investeerder, de software of wat je maar nodig hebt om te beginnen. Als ik nu een jonge startupondernemer zou zijn? Ik vraag me af of ik dat bij een incubator zou gaan halen.’
Startuppen wordt volwassen
‘In de begindagen was het nieuw en happening’, zegt ook Jellema van Startupbootcamp. ‘De connectie met het ecosysteem was ook heel nauw. Nu is het meer een commodity geworden, volwassen. Als ik terugdenk aan hoe ontzettend veel ik heb gehad aan die persoonlijke begeleiding, dat heeft me véél meer opgeleverd dan ik van tevoren dacht. Maar het blijkt toch lastig om dat vooraf aan startups duidelijk te maken.’
Lucien Burm ziet de neergang toch eerder als een Nederlands probleem. Hij is voorzitter van de Dutch Startup Association (DSA) en ook actief in de Europese startup-lobby. Zelf zette hij overigens de eerste programma’s van Rockstart op. ‘Ze hadden nog geen plan, hè? Wij kregen de opdracht: er komen tien startups, zorg dat er over twaalf weken een mooie show staat. Wij hebben het pitchprogramma opgezet, en het acceleratormodel werd door Rockstart van Y Combinator overgenomen.’
Nederland niet aantrekkelijk voor startups
Andere tijden. Destijds was het voor startups nog lastig om zelf een zaaltje te vullen met investeerders of om meetings te krijgen. ‘En Amsterdam had zeventig startups, dat zijn er nu duizenden’, zegt Burm.
Maar toch is hét probleem volgens hem de aantrekkingskracht van Nederland voor internationale startups. ‘Nederland was een goede testmarkt, met een goed opgeleide internationale bevolking, maar raakt nu achterop in de lijstjes met vestigingsklimaat voor startups.’
‘Mijn gevoel: Nederland is een klein land, maar Europa is ook veranderd. Als ik in Spanje een startup begint, kan ik nog steeds meedoen aan allerlei programma’s. Maar ga ik dan niet liever naar Berlijn, Parijs of Londen? Nee, onze concurrentiepositie is echt verslechterd.’
Y Combinator stapelt unicorns
Als je niet de beste startups weet aan te trekken, in voldoende volume, gaat je incubator of accelerator ook niet renderen, stelt ook Burm. ‘Y Combinator stapelt zo’n beetje unicorns, en daar willen startups uit de hele wereld naartoe vanwege de toegang tot de Amerikaanse markt en het netwerk. Uit de Nederlandse programma’s komt heus wel wat, maar is het van datzelfde kaliber? Ik heb ook geen sluitend antwoord op hoe het model gaat vliegen, maar wat mij betreft mogen de accelerators veel meer Europees gericht zijn.’
Waar iedereen het over eens is: of het nu met publiek geld gebeurt of volgens een marktmodel, je kunt nooit genoeg startups laten bloeien als je de welvaart van Nederland wilt behouden. En zeker in de allervroegste fase is elke begeleiding welkom.
Dat soort initiatieven zijn er gelukkig nog steeds, al heten ze niet altijd incubator of accelerator.
Antler doet niet aan klasjes
Heel optimistisch klinkt bijvoorbeeld Ronald Jan Schuurs, partner bij Antler. Strikt genomen geen accelerator, het noemt zichzelf ‘inception stage’ investeerder.
‘Wij doen niet aan klasjes en investeren ook niet op voorhand’, zegt Schuurs. ‘We halen mensen naar ons kantoor toe van wie we denken dat ze goed zijn. Vaak hebben ze niet meer dan een idee voor een startup, dan wil je eerst kijken wat voor vlees je in de kuip hebt, voordat je investeert. Dat is in feite de beste due diligence die je kunt doen in de vroegste fase.’
Naast internationale knallers als Airalo en Lovable komen ook een aantal bekende Nederlandse startups uit de stal van Antler, waaronder Clear.bio, Datamonk en Klearly. Soms nodigt Schuurs een team uit, soms zijn het individuen op zoek naar compagnons om iets mee te beginnen. Deze week zit hij met een stuk of 25 personen in zijn Amsterdamse kantoor. Of dit model werkt? ‘We doen dit in 27 steden en hebben 16 fondsen die in eerste instantie enkele tonnen investeren in startups.’
In Europa werkt Antler vanuit Berlijn, Amsterdam, München, Londen en Scandinavië en jaarlijks krijgt het 160.000 aanmeldingen. ‘We selecteren scherp en doen veel investeringen. Je moet hard je best doen om dit te laten werken, maar we zijn winstgevend, al spuit het geld er niet uit. De upside zit in het succes van de investeringen.’
Achmea venture studio en accelerator
Misschien wel de jongste accelerator van Nederland is die van Achmea Impact Ventures. De verzekeraar heeft een venture studio en een accelerator opgezet die founders en startups begeleidt. ‘We zitten ook letterlijk op enige afstand van Achmea, en het is ook niet de bedoeling dat we medewerkers helpen ondernemen’, zegt Ralph van Dam, head of startups & scaleups.
‘Maar we hebben wel toegang tot research, tot expertise en het netwerk van Achmea. De innovatie binnen het concern is gericht op de corebusiness rond verzekeren. Wij zoeken nieuwe businesmodellen, met als doelstelling impact maken.’ Impact op de thema’s gezondheid, financiën, de toekomst van werk en duurzaamheid.
‘Dit doen we voor de langere termijn’
Bij de venture studio kan een ondernemer met een goed idee aan de slag. ‘Of andersom: dan zoeken we founders bij een innovatie. Die krijgen dan drie maanden betaald, om in een programma samen met ons researchteam te bewijzen dat ze een oplossing voor een probleem kunnen bouwen.’
De accelerator investeert bedragen van 50.000 euro tot 5 ton in startups. Voor resultaten is het nog te vroeg, zegt Van Dam. ‘We zijn net een jaar bezig en zelf in feite een startup: we sturen continu bij. Toch hebben we al 600 aanmeldingen, dat valt niet tegen.’
Er is plek voor vijf tot acht startups per jaar, in de incubator gaat het om grotere aantallen. ‘Dit doen we voor de langere termijn. De euro’s hoeven er niet uit te spuiten, we zijn uit op nieuwe businessmodellen die werken.’
82 unicorns uit Y Combinator
Intussen draait in de VS het grote voorbeeld Y Combinator vanuit Palo Alto op volle toeren door, met vier ‘batches’ van soms wel 250 startups per jaar.
Y Combinator heeft sinds de start in 2005 in meer dan 5.000 startups geïnvesteerd. Of dat rondrekent? Tot nu toe zijn er 82 unicorns, met een waardering van meer dan een miljard dollar, klaargestoomd door de vermaarde kweekvijver voor jonge bedrijven. Dat bewijst dat accelerators toch ook vooral een numbers game zijn.



