Onderzoek naar neurodiversiteit is hot en happening, en het aantal diagnoses blijft stijgen. 15 tot 20 procent van de mensen heeft een ander neurotype, blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Dat is één op de vijf à zes mensen.
Waarschijnlijk ligt het daadwerkelijke aantal zelfs hoger, omdat deze cijfers vooral gebaseerd zijn op diagnoses en herkenning binnen het zorgsysteem. Mensen die wel duidelijke kenmerken hebben maar voldoende functioneren en geen hulp zoeken, vallen dus buiten de statistieken.
Geen stoornis of tekort
Het concept neurodiversiteit wordt eind jaren negentig geïntroduceerd door de Australische socioloog Judy Singer. Ze stelt daarmee het dominante, medische denken over autisme en ADHD – tot dan toe vooral gezien als aandoening, stoornis of tekort – ter discussie. Met de term neurodiversiteit introduceert Singer een nieuw perspectief: afwijken van de norm moet niet worden gezien als een probleem, maar als variatie.
Een paar jaar later introduceert de Amerikaanse activist Kassiane Asasumasu het woord neurodivergentie, om mensen aan te duiden wiens neurocognitieve functioneren afwijkt van dominante maatschappelijke normen. Ze trekt het daarmee direct veel breder dan autisme en ADHD, waardoor tegenwoordig eigenlijk vrijwel alles dat afwijkt van wat ‘normaal’ is onder deze term kan worden geschaard.
Wat is ‘normaal’?
Daarmee kan de samenleving worden opgedeeld in neurotypische en neurodivergente mensen:
- Neurotypische of neuroconventionele mensen zijn mensen van wie het neurocognitieve functioneren aansluit bij de maatschappelijke normen en verwachtingen, en die over het algemeen geen sociale wrijving of problemen ondervinden als gevolg van de manier waarop hun geest werkt.
- Neurodivergente mensen daarentegen zijn mensen van wie het cognitieve, sensorische of neurologische functioneren consistent afwijkt van de gangbare maatschappelijke verwachtingen, ongeacht de oorsprong, diagnose of oorzaak.
En daar zit precies de crux. Want die gangbare maatschappelijke verwachtingen zijn gestoeld op een aantal dominante sociale normen. Zo word je geacht voorspelbaar en efficiënt te zijn en moet je duidelijk en doelgericht praten, zonder allerlei omwegen en vaagheden te gebruiken.
Gevoelens houd je voor jezelf, zodat anderen er geen last van hebben. Ook moet je goed kunnen omgaan met drukte en prikkels. Jouw aandacht, geheugen en concentratie horen stabiel te zijn. Daarnaast wordt verwacht dat je sociale signalen vanzelf begrijpt en soepel met anderen omgaat.
Het verkeerde fundament
Mensen met een cognitieve stijl die goed aansluit bij deze normen, bewegen zich geruisloos door alle institutionele en relationele structuren en systemen van onze huidige maatschappij, want die is daar immers op gebouwd. Maar dat is het verkeerde fundament.
De moderne mens bestaat al zo’n 300.000 jaar. Zo’n 12.000 jaar geleden, toen de agrarische revolutie zich voltrok, stopte de mens met rondtrekken, om zich op een vaste plek te vestigen. Pas 250 jaar geleden, tijdens de industriële revolutie, kwam het fabrieksmodel waarin aanhoudende, repetitieve arbeid centraal stond.
En sinds een jaar of 150 gaan we steeds meer naar kantoor, zitten we acht uur per dag achter een bureau en hebben we een schoolsysteem dat vereist dat kinderen stilzitten en zich op één taak tegelijk concentreren.
Omgekeerde wereld
In relatief korte tijd is wat in de pre-agrarische tijd een superpower was, zoals hyperfocus of snelle patroonherkenning bij veel prikkels tegelijk, nu iets geworden dat wordt gezien als een stoornis. Mensen die niet goed functioneren in ons huidige systeem, zijn de afwijking. Maar wat nou als neurodivergentie juist de norm is?
Dat zet alles op z’n kop en verandert niet alleen hoe we werk en onderwijs zouden moeten organiseren, maar ook wat we überhaupt nodig hebben om een samenleving draaiende te houden. Systemen worden niet meer ingericht op de nauwe middenmoot en het gemiddelde, maar variatie en diversiteit vormen de basis.
Geen sturing meer op voorspelbaarheid en standaardisatie, maar juist op aanpassingsvermogen, context en complementariteit. Niet iedereen hoeft hetzelfde te doen of te kunnen; de kracht zit in hoe verschillende manieren van denken en doen elkaar aanvullen.
Dat betekent veel minder controle en uniforme kaders en meer ruimte voor flexibiliteit en maatwerk. Strak omlijnde uniforme functiebeschrijvingen verdwijnen en er wordt modulair gewerkt, waarbij taken kunnen worden gestapeld op basis van iemands talenten.
Doe als de natuur
In plaats van mensen in systemen en hokjes te dwingen, worden systemen ontworpen rondom mensen en hun enorme variëteit. Dat is helemaal niet zo’n raar idee, want in de natuur werkt het ook zo. Monoculturen putten de bodem compleet uit en leveren steeds minder tegen steeds hogere kosten, terwijl biodiversiteit juist regeneratief werkt en ecosystemen veerkrachtiger, productiever en duurzamer maakt.
‘When a flower doesn’t bloom, you fix the environment in which it grows, not the flower’, aldus Alexander Den Heijer. Dat geldt net zo voor mensen.
Lees ook deze columns van Simone van Neerven:
- Wat paralympisch kampioen Bibian Mentel leiders leert over veerkracht in moeilijke tijden
- We lachen om handdoekleggers bij het zwembad, maar op kantoor doen we net zo
- De 5 dingen die je nooit moet zeggen als manager (en wat dan wel)



