In Nederland gaat veel talent verloren omdat het simpelweg niet wordt opgemerkt. En dat is zonde. Daarom stelden wij aan zes coryfeeën uit verschillende sectoren de vraag: hoe herkent ú talent?
De ongekende muzikaliteit van Mozart was zelfs voor een dove hoorbaar. Zoals een blinde het fenomenale balgevoel van de jonge Maradona nog in één oogopslag zag. Om de goddelijke gaven van deze twee genieën kon werkelijk niemand heen. Niet iedereen is echter begiftigd met een dergelijk groot talent. Toch schuilt in ons allemaal een al dan niet verborgen gave. De kunst is om die te herkennen.
Belangrijker is het om dat talent op een goede manier te ontwikkelen. Tenminste, naar de mening van mediatrainer Judith Bosch, consultant Mickey Huibregtsen, wetenschapper Alice ter Meulen, managementgoeroe Harry Starren, artistiek leider Ruut Weissman en PvdA-kopstuk Marjet van Zuijlen. Want hoewel ze vanuit hun sector een eigen visie hebben op talentherkenning, zijn ze het alle zes over één ding eens: met talent alleen kom je er niet, het is slechts een begin.
Mickey Huibregtsen
Mickey Huibregtsen is initiatiefnemer van De Publieke Zaak, een vereniging van burgers, bestuurders en bedrijven die willen bijdragen aan de vormgeving van Nederland. Voor het grootste talent houdt Huibregtsen het dicht bij huis: zijn assistent Barbara Besançon.
“Barbara is bij De Publieke Zaak onder meer verantwoordelijk voor het project De Slinger. Hierbij kunnen alle organisaties die extra maatschappelijke acties willen ondernemen of die hun engagement willen onderstrepen, aanhaken. Binnen De Slinger handhaaft elke organisatie zijn eigen beginselen, programma’s of campagnes, maar voor de buitenwereld ontstaat er herkenbare eendracht achter die campagnes. De Slinger wordt zo een merk voor maatschappelijke betrokkenheid.
“De Slinger is een onderwerp dat je echt moet interesseren, omdat het een traject is van de lange adem. Bij Barbara is het project gelukkig in goede handen. Zij was topconsultant bij Andersson Elffers Felix, maar heeft blijk gegeven te beschikken over een groot talent voor de non-profitsector en dan met name voor maatschappelijke organisaties. Zo’n talent begint bij een enorme gedrevenheid: tegen beter weten in doorgaan, met vallen en opstaan en de belangrijke eigenschap ‘not to take no for an answer’. Daarbij is het erg belangrijk dat Barbara gewend is om projectmatig te werken, intuïtief dan wel gestructureerd.
“Maar het allerbelangrijkste talent is toch wel sociale vaardigheid. Ik noem dat altijd de ABC-formule: als je wilt dat er actie komt, moet je een duidelijke boodschap kunnen overbrengen. Maar om dat te kunnen doen, heb je contact nodig. Oprecht contact. En daar zie je het maar al te vaak misgaan. Terwijl goed contact onmisbaar is als je de mensen mee wilt krijgen, als je ze voor je verhaal wilt winnen. Hierbij komt dus sociale vaardigheid om de hoek kijken. En daar beschikt Barbara in ruime mate over. Zij weet wat mensen beweegt, ze weet een enorm enthousiasme aan de dag leggen en ze beschikt over een groot inlevingsvermogen.
“Er ligt in deze sector alleen één gevaar op de loer. Mensen beginnen altijd vol enthousiasme, datzelfde zie je in de politiek. Als ze dan na verloop van tijd inzien wat voor een bloedige strijd het soms is, beginnen ze zich te accommoderen. Ze laten zich corrumperen door het systeem in plaats van het systeem hun eigen waarden op te leggen. Daarom zeg ik altijd: in deze sector moet je door muren heen kunnen breken en over water kunnen lopen. Ik geloof dat Barbara dat kan.”
Harry Starren
Harry Starren is algemeen directeur van De Baak, managementcentrum van werkgeversorganisatie VNO-NCW. Starren vindt ID&T’s Duncan Stutterheim een groot managementtalent, al noemde hij ook namen als Reinout Oerlemans (Eyeworks), Eric Kessels (KesselsKramer) en Grace Boldewijn (Bocari Engineering).
“Omdat we steeds meer toegaan naar dienstverlening, dien je als manager tegenwoordig vooral over feminiene eigenschappen te beschikken. Je moet relaties kunnen leggen, begrijpen wat een ander beweegt. Zakendoen is meer en meer een kwestie geworden van gunnen. In de industrie was en is managen een koele bezigheid, een exact vak. Je weet welk product je maakt, wat het kost en wat het opbrengt. Bij dienstverlening wordt meer psychologisch inzicht gevraagd, de zogenaamde soft skills. Hard skills zijn noodzakelijke, maar onvoldoende eigenschappen die je kunt uitbesteden. Rekenen moet je nog wel kunnen, maar je moet vooral kunnen meetellen. En kunnen vertellen, je moet een verhaal hebben.
“Goede managers op dit gebied zijn talenten die oog hebben voor schoonheid, creatie en relatie. Vroeger waren de werknemers er vooral om je te helpen jouw doelen te halen. Nu moet je als manager het talent van je werknemers zo goed mogelijk zien te gebruiken. Dus waar we met jokken zijn begonnen, ‘de mens is onze belangrijkste bron’, is men in het bedrijfsleven met dezelfde woorden de waarheid gaan spreken. Als je vroeger een functie had te vervullen, ging je op zoek naar iemand die precies voldeed aan de eisen van die functie. Nu kijk je vooral naar wat iemand kan en probeer je iemands talenten in je plannen te passen. De instrumentele gebruikersgerichte blik, heet dat.
“Mijn advies is om terzijde tot terzake durven te verklaren. Zo kregen wij bij De Baak een sollicitant over de vloer die op de meeste punten keurig voldeed aan het profiel. Maar pas toen hij over muziek begon en vertelde dat hij conservatorium had gedaan, werd hij aangenomen. Muziek speelt hier een grote rol. Dus waar die man dacht dat muziek slechts bijzaak was, bleek het essentieel. Een liefhebberij zegt veel over een persoon. Het kunnen is in de plaats gekomen van het niet kunnen. Uit talent moet je halen wat erin zit. Met veel geduld. Talentoriëntatie is namelijk ook verstandig omgaan met de tijd. Terwijl de industriële werkwijze er vooral eentje is van tempo maken en talent te gelde maken.”
Judith Bosch
Judith Bosch is presentatie- en mediatrainer. Zelf presenteerde zij meer dan twintig jaar radio- en televisieprogramma’s bij de Vara en de NCRV. Bosch ziet een groot talent in Lucella Carasso, presentatrice van het Radio 1 Journaal en Met het oog op morgen.
“Radio en televisieprogramma’s zijn onder te verdelen in twee categorieën: informatief en amusement. Ik richt mij, naast mijn trainingen voor het bedrijfsleven, op presentatoren uit de informatieve hoek. Om dat soort programma’s te presenteren heb je bagage nodig. Daarmee bedoel ik dat je kennis van zaken moet hebben, over een prettige stem dient te beschikken en in het geval van televisie ook over een niet al te afschrikwekkend uiterlijk en bovenal ambitieus moet zijn. Dat laatste vind ik eigenlijk het belangrijkste talent. En je moet een beetje geluk hebben, al geloof ik er ernstig in dat geluk in bepaalde mate is af te dwingen.
“Maar zonder ambitie lukt het je niet om in Hilversum een plekje te verwerven of liever, om een eigen programma te krijgen. Ambitie is gelukkig vrij snel te herkennen. Als mensen mij opbellen voor een presentatietraining, krijgen ze van mij een aantal opdrachten die ze moeten voorbereiden. Aan de reactie kan ik vaak al horen of ik met een ambitieus persoon te maken heb. Als ze dan vervolgens bij me langskomen, kom ik weer meer over hun ambitieniveau te weten. Ik vraag altijd wat iemand precies wil bereiken, welke soort programma’s hij of zij wil presenteren. Iemand die hierop geen duidelijk antwoord kan geven, wil alles op een presenteerblaadje aangeboden krijgen. En daar spreekt weinig ambitie uit.
“Echte talenten zijn niet alleen ambitieus, ze zijn ook nooit uitgeleerd. Talent moet je koesteren, je moet er aan blijven schaven. Niet voor niets komen bij mij ook veel gearriveerde namen langs. Zij hebben vaak behoefte aan een objectieve mening, daar leren ze weer van. Lucella Carasso is nog geen gearriveerde naam, maar wel een groot talent. Zij voelt zich gelukkig ook niet te beroerd om mij om advies te vragen. Dat komt omdat ze altijd streeft naar een tien, hoe onbereikbaar dat ook is. In mijn ogen is dat een eigenschap die je ver brengt. Lucella is voorlopig alleen nog maar op de radio te horen, maar ik voorspel haar een grote toekomst bij televisie. Ze ziet er namelijk ook nog eens leuk uit.”
Marjet van Zuijlen
Voormalig Tweede Kamerlid Marjet van Zuijlen was vicevoorzitter in de commissie Kandidaatstelling Tweede Kamer van de Partij van de Arbeid. Van Zuijlen, tegenwoordig directeur Marketing, Communicatie & Business Development bij Deloitte, noemt Mei Li Vos een goed voorbeeld van een politiek talent.
“Talent blijft iets ongrijpbaars, maar in de politiek is een aantal eigenschappen van belang. Uiteraard moet je verbaal begaafd zijn om ingewikkelde zaken op een eenvoudige, toegankelijke manier te kunnen verwoorden. Je moet beschikken over een bepaalde mate van likeability, ofwel de capaciteit hebben om verschillende groepen aan te spreken. Daarbij moet je sympathiek zijn, mensen moeten bij jou niet het gevoel hebben eerst door een muur heen te moeten. En je moet een politieke visie met concrete, politieke voorbeelden tot leven kunnen brengen. Sensitiviteit is ook belangrijk, net als overtuigingskracht.
“Het belangrijkste is echter een sterke uitstraling. Daarbij gaat het steeds meer om authenticiteit. De televisiecamera’s zijn z- dichtbij gekomen dat het voor een politicus niet meer voldoende is om op een slimme manier te glimlachen. Dat ziet eruit als aangeleerd gedrag en daar prikt men zo doorheen. Het gaat in de politiek steeds meer om rechtgeaarde mensen. Dat verklaart ook het relatieve succes van Balkenende.
“Wat dat betreft kun je Mei Li Vos als een politiek talent beschouwen. Zij is authentiek, al moet ze nog wel iets handiger en diplomatieker worden. Maar ook weer niet te veel, want haar wapens zijn juist haar toegankelijkheid en haar lef om gedurfde uitspraken te doen. Bij de meeste politici zijn die eigenschappen in de loop der jaren geïmplodeerd, omdat ze een aantal keren de knip lelijk op de neus hebben gehad. Een goed voorbeeld hiervan is Ben Bot, die zijn uitspraken over de Amerikaanse inval in Irak direct weer afzwakte. Terwijl dwarse meningen juist belangrijk zijn.
“Dit soort impliciete regels, dat je sommige dingen beter niet kunt zeggen, maken de politiek er niet aantrekkelijker op voor buitenstaanders. Hierdoor lopen we in Nederland helaas politiek talent mis, zo heb ik onlangs kunnen ervaren bij de zoektocht naar Kamerleden voor de PvdA. Lang niet alle mensen met politiek talent waren uit rationele overwegingen bereid om de overstap te maken.”
Ruut Weissman
Ruut Weissman is artistiek leider van de Amsterdamse Toneelschool & Kleinkunstacademie én regisseur van onder anderen Acda & De Munnik en De Vliegende Panters. Voor het grootste talent wijst Weissman echter naar zijn voormalige leerling en huidig topactrice Carice van Houten.
“We krijgen hier per jaar duizend aanmeldingen voor twintig plaatsen. Tijdens de eerste schiftingen zie ik in één oogopslag of iemand talent heeft of niet. Zoals je ook meteen ziet of iemand een brood kan bakken. Daarna begint echter een grijs gebied, het gaat dan om de vraag of ik iemand op het toneel zie staan. Hierbij let ik op de juiste uitstraling, de mate waarin iemand vorm kan geven aan zijn gevoelens en een opvallende fysiek, wat iets anders is dan mooi. Bovendien ben ik op zoek naar oorspronkelijke geesten, mensen die op de bühne in staat zijn te transformeren. En natuurlijk gaat het ook om de juiste instrumenten, zoals een goede stem.
“Talent is in mijn ogen niet meer dan een begin. Na het eerste jaar vallen er soms studenten af, maar dat komt nooit als een verrassing voor ze. Ze willen gewoon niet graag genoeg, dat weten ze best. Tijdens de opleiding speelt mentaliteit een hele belangrijke rol, theater is immers een loodzwaar vak. Echte talenten zijn diegenen die het graagst willen. Dat gevoel zit vaak heel diep. Als artiest moet je een ontwikkeling willen doormaken. Maar net als baby’s schrikken ook volwassenen van ontwikkelingen. Graag willen betekent vooral niet schrikken. Studenten moeten ook zeker niet burgerlijk zijn, in de zin van behoudend. De lessen zijn dan ook grotendeels gericht op durven doen.
“Maar hoe groot je talent of hoe goed je mentaliteit ook is, een beetje geluk heb je vaak ook nodig. Neem Carice van Houten. Aan haar was het talent niet af te zien, ze was een grijs muisje. We wezen haar in eerste instantie ook af. Daarop maakte ze zo’n belachelijke opmerking, die ik niet zal herhalen, waardoor ik dacht ‘wat een raar wijf is dat zeg’. Toen is ze alsnog aangenomen. Dat beetje geluk moet je als talent soms hebben. Carice heeft de school ook echt nodig gehad. Pas na het eerste jaar is ze tot bloei gekomen. Toen bleek pas het talent en de mentaliteit waarover ze beschikte.”
Alice ter Meulen
Alice ter Meulen is hoogleraar Taalwetenschap aan de Faculteit der Letteren van de Rijksuniversiteit Groningen. Tevens is zij bestuurslid van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO). Volgens Ter Meulen is een groot wetenschappelijk talent de Chinese Ting Jiang.
“Als hoogleraar heb ik een antenne ontwikkeld voor talentvolle wetenschappers. Doorgaans zijn dat studenten die goed werk inleveren, goede resultaten behalen en veel vragen stellen tijdens colleges. Door de interactie heb je het vaak nog eerder in de gaten; slimme studenten blijven napraten of zoeken je tussen de colleges door op in je werkkamer. Dit heet ambitie, een eerste middel voor goede wetenschappers. Maar er bestaan natuurlijk ook verlegen en teruggetrokken wetenschappers, die moeilijk uit de kast te halen zijn. Daar moet je extra scherp op zijn. Deze talenten kun je herkennen aan bijzondere voorstellen voor een scriptie of een proefschrift.
“Voor wetenschap is een bepaalde mate van intelligentie uiteraard een vereiste. Maar belangrijker is dat studenten tijdens hun studie steeds intelligenter worden. Ze leren hun intellectuele vermogens op een slimme manier in te zetten en ze beginnen meer en meer nieuwsgierigheid aan de dag te leggen. Bovendien leren ze, door hun intelligentie een leidende rol te geven, de meest effectieve manier te vinden om een goed onderzoek op te zetten.
“In Nederland zit momenteel een aantal uitzonderlijke talentvolle wetenschappers uit buitenland. Ik vind het vooral heel erg moedig van ze dat ze hun land hebben verlaten om hier een goede opleiding te krijgen. Zoals bijvoorbeeld Ting Jiang, een Chinese econome die aan de universiteit van Tilburg werkt. Zij beschikt over een enorme drive en kijkt op een hele frisse manier tegen bekende problemen aan. Ze voelt gewoon dat ze hier echt een kans krijgt. Dat blijkt ook wel, want ze is beloond met een beurs van 180.000 euro, waarmee ze vier jaar lang onderzoek kan doen.
“Zo zie je talent ontstaan. Maar met talent wordt niet altijd even zuinig omgesprongen. Wetenschap is een rotspad met voldoende gelegenheid om te struikelen. De mogelijkheden om succesvol te worden zijn beperkt. En dan worstelen sommige wetenschappers ook nog met voortdurende ontmoediging. Dit zijn vaak mensen die van huis uit hebben meegekregen niet te hoog te mikken. Het is onze taak om juist die mensen van voldoende steun te voorzien. Wij moeten voor de motor zorgen om door te gaan.”



