Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

MT onderzoek – Manager koopt er lustig op los

Managers zijn optimistisch gestemd over hun financiële situatie in 2007. Het merendeel belegt een deel van zijn inkomen waarbij opties volledig uit de gratie zijn. Dat blijkt uit onderzoek van Management Team onder het vaste lezerspanel.

Het gaat weer goed met Nederland, al merken we dat nauwelijks in onze portemonnee. De koopkracht stijgt met 1 procent en dat betekent dat de meesten van ons er slechts tientjes bij krijgen. Gezinnen die er in 2007 het meest op vooruit gaan (1,25 procent erbij) zijn tweeverdienende ouders met een modaal én een halfmodaal inkomen.

Afwijkende inkomens moeten het doen het met 1 procent erbij. Bent u alleenstaande ouder en verdient u twee keer modaal, dan kunt u uitkijken naar 0,75 procent erbij, het minst van allemaal. Het CDA blijft de partij voor het gezin. Je moet maar zo denken: iets is beter dan niets. Het MT-opiniepanel is het daarmee eens.

Gevraagd naar hun financiële situatie en de vooruitzichten voor komend jaar, zegt 56,4 procent optimistisch te zijn over de toekomst. Nog eens 31,9 procent is ‘enigszins optimistisch’ en slechts een kleine groep (11,7 procent) denkt dat het alleen maar slechter kan worden. Wel zijn er nog negatieve gevoelens over de introductie van de euro, in 2002. Bijna 88 procent antwoordt bevestigend op de vraag of sinds die datum ’alles duurder is geworden’. Slechts 5,2 procent is het daar volstrekt mee oneens.

Dagelijks de nieuwsbrief van Management & Leiderschap ontvangen?



Door je in te schrijven ga je akkoord met de algemene en privacyvoorwaarden.

Keurige grenzen
Het euro-effect ten spijt zag 77 procent van de ondervraagden zijn inkomen het afgelopen jaar stijgen met percentages tot maximaal 10 procent. Grotere stijgingen (10 tot 20 procent) bleven voorbehouden aan 4,7 procent en 2 procent zag zelfs een stijging van meer dan 20 procent. Een opvallend fors deel van de ondervraagden (16,4 procent) had te maken met een daling, bij het CBS bekend onder het eufemisme ‘negatieve inkomensgroei’.

Verdeeld naar inkomensgroep heeft 43,5 procent van de managers die deelnamen aan het lezersonderzoek een bruto besteedbaar jaarinkomen van 50.000 tot 80.000 euro. De op een na grootste groep (16 procent) verdient 80.000 tot 100.000 euro; 12 procent krijgt jaarlijks 100.000 tot 150.000 bijgeschreven op zijn bankrekening. Salaris blijkt overigens nog steeds een met taboes omgeven factor te zijn in Nederland. Iets minder dan 14 procent van de respondenten weigerde een inkomensindicatie af te geven.

Wat betreft het bestedingspatroon van de MT-panelleden, valt op dat 58 procent van de ondervraagden een deel van zijn of haar inkomen belegt. Ruim 41 procent doet dat in een beleggingsfonds, 32 procent belegt in aandelen. De voorkeur gaat verder uit naar obligaties (12 procent), derivaten (2 procent) en vastgoed (2 procent).

Hekkensluiters zijn opties (1 procent) en warrants (0,2 procent). Een enkeling heeft zijn geld gestoken in ‘teakbomen in Brazilië’, een van die nieuwe eco-beleggingsmogelijkheden.

Verder blijkt het merendeel van de ondervraagden zijn woonlasten keurig binnen de aanbevolen grenzen te houden. Zo is de grootste groep (37,7 procent) tussen de 20 en 30 procent van zijn inkomen kwijt aan woonlasten. Nog eens 28,2 procent zit daar onder, met woonlasten tussen 5 tot 20 procent van het besteedbaar inkomen en 23,5 procent is 30 tot 40 procent kwijt. Toch nog 2,8 procent geeft meer dan 50 procent van zijn inkomen uit aan woonlasten.

Grote aankopen
Betaalde kinderopvang is sinds januari 2005 betaalbaarder voor lagere inkomensgroepen. Maar modale tweeverdieners zijn sindsdien de dupe. Zij betalen soms wel honderden euro’s meer per maand. De bedragen zijn inderdaad niet mis. Zo is 8 procent van de MT-panelleden 200 tot 500 euro per maand kwijt aan kinderopvang, nog eens 5 procent betaalt 500 tot 800 euro en 2 procent zelfs 800 tot 1100 euro. De grootste groep (84 procent) maakt geen gebruik van betaalde kinderopvang.

Overigens hebben verreweg de meeste respondenten (91 procent) een partner. Ruim 46 procent heeft volledig inzicht in de uitgaven van die partner. Grote aankopen worden vooraf besproken, zegt 28 procent; slechts 1,3 procent wordt daar pas achteraf door de partner over geïnformeerd. Nog altijd 2,4 procent ziet een grote uitgave van zijn of haar partner pas terug als de bankafschriften op de mat vallen. Het gaat er dus open en inzichtelijk aan toe bij de meeste tweeverdieners. Ruzie over geld is er nooit (52 procent), bijna nooit (28 procent) of zelden (16 procent). Slechts 4 procent maakt er regelmatig ruzie over.

We vroegen de panelleden waar ze te veel geld aan uitgeven. Dat blijken vooral alledaagse uitgaven te zijn en uitgaven die vallen in de categorie ‘lifestyle’. Op nummer een staat ‘boodschappen en huishouden’ (40 procent), in aflopende volgorde gevolgd door ‘vakanties’ (36 procent), ‘kleding’ (32 procent) en ‘etentjes buiten de deur’ (28 procent).

Ruimte voor een open antwoord was er ook: ‘sport en hobby’ en ‘kinderen, opvang en studie’ werden het meest genoemd. Aan luxegoederen als juwelen en horloges geeft slechts 4 procent te veel uit, wat erop kan wijzen dat dit soort uitgaven maar eens in de zoveel tijd worden gedaan en dan nog weloverwogen ook. Je zult achteraf dus niet snel een schuldgevoel hebben over dat dure Raymond Weil-horloge of die gouden halsketting. Onderaan in de lijst staat nog ‘alimentatie’, waar 3 procent van de ondervraagden ‘te veel geld’ aan kwijt is.

De duurste aankoop van het afgelopen jaar was met stip de auto (26 procent), gevolgd door wooninrichting (11 procent), vakanties (8 procent) en een nieuwe woning (7 procent). Een enkele voetbalfanaat noemde zijn seizoenskaart van SC Heerenveen als duurste aankoop.

Tot slot bevatte de vragenlijst nog een kleine test. We vroegen de panelleden hoe hoog het wettelijk minimumloon is voor een 23-jarige. De meeste antwoorden (48 procent) waren correct, namelijk 1284,60 euro bruto per maand. Ruim 13 procent hield het op 1126,30 euro en 1 procent dacht toch echt dat de wetgever het bedrag op 2360,40 euro had vastgelegd.