‘E-waste is het gevolg van een industrie die de wereld enorm vooruit heeft geholpen. Maar dan gaan de apparaten kapot, worden ze afval en vinden we ineens dat iemand anders het maar moet oplossen.’ Dat zegt Joost de Kluijver tegen Change Inc. Hij is oprichter van Closing the Loop, een van de vele bedrijven die de berg e-waste willen bestrijden.
Voor elk product dat klanten van Closing the Loop nieuw kopen, bijvoorbeeld een telefoon of laptop, zorgt de MT/Sprout Challenger dat een afgedankt product wordt ingezameld en verwerkt bij de dichtstbijzijnde recyclingfabriek. Op die manier zijn al meer dan 8 miljoen apparaten van de verbrandingsoven gered.
Lees ook: Hemelbestormer Joost de Kluijver: ‘We zijn de paria in de duurzaamheidswereld’
Er is ook een andere manier om de enorme hoeveelheid e-waste te verkleinen: door simpelweg te voorkomen dat nog werkende apparaten worden afgedankt. Daarop is het Europese recht op reparatie (right to repair) gericht. De nieuwe richtlijn werd in 2024 ingevoerd en geldt sinds 1 augustus 2026 in alle EU-landen.
Nederland is alleen te laat, meldt de Consumentenbond. De Europese richtlijn had voor 31 juli door lidstaten moeten worden omgezet in nationale wetgeving, maar ons kabinet stuurde het wetsvoorstel pas op 9 juli naar de Tweede Kamer. Het is daarom onzeker of de wet nog dit jaar ingaat.
#1 Wat houdt het recht op reparatie in?
Gaat een huishoudelijk apparaat stuk, dan kun je dat nu vaak beter vervangen dan laten repareren. Dat is sneller, gemakkelijker en soms nog goedkoper ook. Hoewel er steeds meer repaircafés zijn waar je spullen gratis kunt laten repareren, loop je bij fabrikanten aan tegen lange wachttijden en onderdelen die niet meer besteld kunnen worden. En apparaten zelf repareren is nagenoeg onmogelijk.
Het recht op reparatie wil dat tegengaan door fabrikanten in Europa te verplichten om hun producten te repareren binnen een redelijke termijn en voor een redelijke prijs, óók als de garantietermijn al is verstreken. Doel is dat consumenten dan vaker kiezen voor reparatie, zodat er minder nieuwe grondstoffen nodig zijn.
Daar horen ook enkele andere verplichtingen bij. Zo worden producenten verplicht toegankelijke informatie te bieden over reparatie, reserveonderdelen beschikbaar te stellen en de garantieperiode te verlengen na een reparatie. Gedurende de reparatie moet de fabrikant bovendien een vergelijkbaar product te leen aanbieden.
Daarnaast komt er een Europees online platform dat reparateurs zichtbaarder moet maken voor nieuwe klanten.
#2 Voor wie geldt het?
De Europese Commissie erkent dat het recht op reparatie ‘op alle goederen van toepassing moet zijn om volledig nut te halen uit deze richtlijn’. Officieel geldt de richtlijn echter alleen voor producten waarvoor Europese eisen voor repareerbaarheid zijn vastgelegd. Dat zijn met name grote huishoudelijke apparaten: wasmachines, vaatwassers , koelkasten en stofzuigers, maar ook mobiele telefoons en bepaalde soorten gereedschap.
De reparatieverplichting geldt voor alle fabrikanten die producten op de markt brengen in Europa. Als de fabrikant niet Europees is, moet de importeur of distributeur de verplichting nakomen. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt voor reparaties die ‘feitelijk of juridisch onmogelijk’ zijn.
#3 Is dit de oplossing voor een circulaire economie?
Reparatie staat redelijk hoog op de zogenoemde R-ladder voor een circulaire economie. Iets laten repareren kost een stuk minder grondstoffen, en daarmee CO2-uitstoot, dan het vervangen of zelfs recyclen. Bovendien hebben de nieuwe regels niet alleen gevolgen voor het levenseinde van producten, maar ook voor het productieproces. Producten moeten immers zo ontworpen en geproduceerd worden dat ze repareerbaar zijn, bijvoorbeeld door ze demontabel te maken.
Toch is een positief effect niet gegarandeerd. De werking van de richtlijn is bijvoorbeeld deels afhankelijk van de bekendheid ervan. En ruim de helft van de Nederlanders (54 procent) heeft nog nooit van het recht op reparatie gehoord, blijkt uit onderzoek van online marktplaats Refurbed.
Daarbij wijzen experts op mazen in de wet. Zo vindt TU Delft-onderzoeker Benjamin Sprecher de richtlijn te vrijblijvend, met veel ruimte voor interpretatie. ‘Vanuit het verleden weten we dat zoiets niet werkt, omdat je uiteindelijk bedrijven stimuleert om zich wel aan de letter, maar niet aan de geest van de wet te houden’, zei hij eerder tegen Change Inc.
Bovendien kent de wet flink wat uitzonderingen. Zo is die niet van toepassing op de reserveonderdelen voor smartphones die worden genoemd in de Ecodesignverordening voor smartphones. In die richtlijnen voor ecodesign staat dat smartphone-onderdelen niet vervangen hoeven te worden ‘mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan’, waaronder voorwaarden voor het resterende vermogen van batterijen na honderden of duizenden laadcycli.
Fabrikanten kunnen met dit soort bepalingen voldoen aan de regels door vooral te sturen op batterijprestaties, stelt Martine Hardeveld Kleuver, marketingdirecteur van iPhone-refurbisher Swappie in de Benelux. ‘Zonder dat apparaten daadwerkelijk makkelijker repareerbaar worden.’
Lees ook: Fairphone wil een miljoen toestellen per jaar verkopen: ‘Dán ben je een speler van formaat’
#4 Wat is er (nog meer) nodig om reparatie gangbaar te maken?
Om van reparatie de norm te maken, is een belangrijke rol weggelegd voor overheden. EU-lidstaten moeten volgens de richtlijn dan ook ‘ten minste één maatregel ter bevordering van reparatie nemen’, bijvoorbeeld een voorlichtingscampagne. Hoewel die maatregel niet financieel hoeft te zijn, wordt financiële ondersteuning wel als nuttig gezien.
In Frankrijk is er bijvoorbeeld een repair bonus. Franse reparatievouchers worden deels betaald van subsidies, wat de rekening niet slechts bij consument of verkoper neerlegt. En in Oostenrijk vergoed de overheid simpelweg de helft van de factuur, tot een bedrag van maximaal 130 euro.
In Nederland bestaan zulke maatregelen nog niet: brancheorganisatie Techniek Nederland roept de overheid op met een voucher te komen om reparatie betaalbaarder te maken. Aanvullend oppert de Europese Commissie het btw-tarief voor de ‘verrichting van hersteldiensten’ te verlagen.
TU Delft-onderzoeker Benjamin Sprecher denkt aan een heel andere maatregel die kan werken: langere garantietermijnen. ‘Dus niet twee of vijf jaar garantie, maar gewoon garantie tot wat redelijkerwijs de technische levensduur zou moeten zijn’, zegt hij tegen Change Inc. ‘Dat kan zo oplopen tot twaalf of vijftien jaar, afhankelijk van de productcategorie.’
Als je dan meeneemt dat bedrijven bij langere garantietermijnen de keuze hebben om een gerepareerd product of een refurbished alternatief aan te bieden, dwing je volgens de wetenschapper ‘automatisch’ af dat zij anders gaan nadenken over design en repareerbaarheid. ‘Linksom of rechtsom moeten ze dan sterker gaan sturen op kwaliteit en een langere levensduur.’
Er moeten dan natuurlijk wel genoeg mensen zijn die producten kunnen repareren. ‘In Nederland missen jonge mensen de vaardigheden van reparatie’, zegt Thami Schweichler van United Repair Centre. En of robots dat kunnen overnemen, is nog maar de vraag.
Dit artikel verscheen het eerst op Change Inc.



