Het Amsterdam Symphony Orchestra is de kwajongen onder de symfonieorkesten. Dat begint al bij de naam (vaak ondeugend afgekort tot ‘ASO’), blijkt uit de leeftijd van de muzikanten (jongeren tussen de 20 en 35), de rechtsvorm (een bv, waar een stichting gebruikelijk is), maar schuilt vooral in de principes van het orkest. Het ASO is in 2003 begonnen als het eerste niet-gesubsidieerde orkest in Nederland. “De kunstwereld kijkt onvoldoende of er toekomst mogelijk is met minder of geen subsidie”, legt dirigent en artistiek leider Peter Sánta uit. “Wij willen graag luisteren naar onze klanten. We hebben uiteraard wel artistieke grenzen, maar die liggen voor ons ruimer.”
Het ASO richt zich volgens Sánta en manager Liesbeth Steenhuisen op twee groepen muziekliefhebbers. Allereerst de dertiger ‘die het loungen zat is en meer verdieping wil’. Een tweede groep is de klassieke concertganger die ‘een avond lekkere muziek zonder gezeur wil’. Het orkest, dat zeventig muzikanten telt, speelt meer toegankelijke klassieke muziek, zoals Mozarts ‘Eine kleine Nachtmusik’ en symfonieën van Tsjaikovski. Naast reguliere optredens kunnen bedrijven het ASO inhuren om muziek bij reclamespotjes te laten inspelen of een bedrijfsbijeenkomst muzikaal op te fleuren. Essentieel voor het businessmodel van het Amsterdam Symphony Orchestra zijn de jonge muzikanten. “Die zijn nog scherp en werken bij ons op projectbasis, alle andere orkesten hebben mensen in vaste dienst”, legt Sánta uit. “We maken vaste kosten variabel en geven zo jonge talenten een kans.” Bedrijven kunnen ook aandeelhouder van het bedrijf worden.
Biervaten
De praktijk is weerbarstiger. Het eerste jaar draaide het ASO nog break-even, maar ging al het nodige mis, het tweede jaar was ‘een verloren jaar’ en werd er ook verlies gemaakt. Financieel was het debuutjaar niet slecht. Het orkest kreeg al snel een vaste kern van 1.500 abonnees à 75 euro, aangevuld met losse kaartverkoop. De pers was minder vriendelijk. Eén dag voor de première schreef Het Parool dat het cv van Sánta niet deugde. Daarin stond dat Sánta bij een aantal orkesten gastdirigent was geweest, terwijl hij er in werkelijkheid assistent-dirigent was. Daarnaast bleken in de Beurs van Berlage, waar het ASO optrad, bijgeluiden nogal hinderlijk aanwezig: een goederenlift ging lopen tijdens de voorstelling en cateringmedewerkers maakten lawaai. Tijdens een ander concert werd er elders in het Beursgebouw druk met biervaten gerold. “Het was geheel buiten onze schuld, maar voor ons was dit wel het eind van de samenwerking met de Beurs”, kijkt Sánta terug. Op zoek naar een nieuwe plek belandde het ASO in het RAI Theater en daarmee van de regen in de drup. De randverschijnselen hielden aan en kostten deze keer ook geld. De zaal bleek met 1.750 stoelen veel te groot en zag er zelfs bij behoorlijke toeschouwersaantallen nogal leeg uit. Hoewel de bijgeluiden waren verdwenen, bleek nu de akoestiek zelf belabberd. De treurige ambiance schrok een flink deel van de vaste bezoekers af.
Aanvallen
Dit seizoen wordt het jaar van de waarheid voor het orkest. Sánta: “Ik heb toen we begonnen gezegd: geef me drie jaar om me te bewijzen. Maar ik had niet gedacht dat het tweede jaar zo’n ramp zou worden”. Het ASO mag dit seizoen gerenommeerde zalen als het Utrechtse Vredenburg en Het Concertgebouw huren. De tegenspoed is volgens Sánta en manager Steenhuisen ook veroorzaakt, omdat ‘overleven zonder subsidie bedreigend is voor de muziekwereld’. Een aantal mensen ziet het ASO liever falen. In het oosten van het land mocht een festival hen niet inhuren van de provincie en moest kiezen voor het provinciale gesubsidieerde gezelschap. Ook zouden potentiële sponsors afhaken wanneer ze ‘mensen ontmoeten die bestuurder zijn bij een gevestigd orkest en allerlei rare dingen over ons horen’. Een bank die het orkest wilde sponsoren haakte af omdat het gezelschap ‘te rebels’ was. Sánta: “Sommige mensen voelen zich direct door ons aangevallen”.
Meer weten over subsidies?
Orkesten en subsidie
- Tien Nederlandse orkesten krijgen subsidie
- Die komt van het ministerie van OCW en van lokale overheden
- In 2004 was dat in totaal ruim 7 miljoen euro
- Daar stond 1,5 miljoen euro aan publieksinkomsten tegenover
De experts over het ASO
Rob van Steen
Directeur LAgroup Leisure & Arts Consulting
“Natuurlijk heb ik bewondering voor de Pietje Bell onder de orkesten. De roep om ondernemerschap is met name vanuit deze hoek van de kunsten met veel weerzin beantwoord. Kostenefficiënt werken en orkesten gaan dan ook moeilijk samen. Theatergroep Het Barre Land kan Shakespeare’s Macbeth wellicht met z’n vieren kwalitatief hoogwaardig op het podium zetten, voor de Derde van Tsjaikjovski kom je daar niet zo gemakkelijk mee weg. Een podium met zeventig geschoolde musici is zeer kostbaar. Het is dapper om op zoek te gaan naar een nieuw businessmodel voor symfonieorkesten. Sánta doorbreekt de klassieke orkesttraditie en creëert tegelijkertijd kansen voor jonge musici. Dat dit op weerstand stuit binnen de orkestwereld is niet vreemd. Het is de opgave van Santá om de stabiele factor te zijn in een duiventil. Want dat is de schaduwzijde van deze constructie. Het ASO bestaat uit musici die individueel gezien wellicht niet onderdoen voor hun gesubsidieerde collega’s met wat meer grijze haren. Op orkestniveau is dat anders. Het creëren van een eigen klank en traditie vereist jarenlang samenspel. Dat is het ASO met haar freelance musici niet gegund. Het is de queeste van dit orkest. Nieuwe, meer structurele private financierings-vormen zullen het orkest daarin moeten helpen. Ik moedig die zoektocht aan en waarschuw Santá om vooral niet in de val van de subsidieverstrekker te stappen.”
Fusien Verloop
Leenaers en Verloop Communicatie en Sponsoring
“Onze ervaring is dat cultuur en bedrijfsleven elkaar veel te bieden hebben en ik vind het zeer toe te juichen dat het ASO nieuwe mogelijkheden onderzoekt. Van belang is dat een culturele instelling een goed beeld heeft van wat een bedrijf interessant vindt en hoe je daar tot wederzijds profijt op in kunt spelen.
Naast de gebruikelijke tegenprestaties zoals kaartjes voor een concert en een advertentie in het programmaboekje, zijn er nog veel meer zaken die culturele instellingen kunnen bieden. Vanuit hun product, maar ook specifieke kennis of creativiteit bieden daarvoor aanknopingspunten. Het aanbod van het ASO om een reclamespotje muzikaal te ondersteunen is daar een goed voorbeeld van. Een ander mooi voorbeeld is een kamerorkest dat managementteams coacht om tot een gezamenlijke topprestatie te komen. Dat is tenslotte wat ze zelf ook doen als ze op het podium staan.
Overigens lijkt het vaak alsof alleen grote bedrijven en grote culturele instellingen op die manier met elkaar samenwerken. Maar wij zien ook regelmatig voorbeelden van succesvolle samenwerking tussen kleinere ondernemers en regionale of lokale culturele instellingen. En daar liggen voor zowel bedrijfsleven als cultuur nog veel meer kansen om samen mooie dingen tot stand te brengen.”



