Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Datacenters: net zo onmisbaar voor een soeverein Nederland als koeien, kippen en Tata Steel

De komende jaren zetten (vaak Amerikaanse) bedrijven misschien wel tientallen nieuwe datacenters neer in Nederland. Netcongestie, klimaat, digitale soevereiniteit: er is genoeg in te brengen tegen hun komst. Zijn die AI-fabrieken noodzakelijk voor de concurrentiekracht van Nederland?

Foto: Nano Banana

Het woord tsunami is nog niet gevallen, maar de berichten over hyperscale datacenters, gigantische loodsen – straks ook torens – met computerservers, geven toch een licht gevoel van onafwendbare rampzaligheid.

Er worden in Nederland de komende tijd nog minstens zeven nieuwe grote datacentra gebouwd, meldde onlangs Nieuwsuur. In de Haarlemmermeer bij Schiphol komen er al vier, ook Vijfhuizen krijgt er een. In Lelystad komt een gigant en zelfs in Amsterdam, dat al jaren geleden een moratorium voor nieuwe internetcentrales uitvaardigde, worden voor Microsoft drie torens neergezet. Die verbruiken straks samen evenveel stroom als de inwoners van Haarlem.

Regels gelden niet voor geplande datacenters

Maar wacht even: de Tweede Kamer had toch een motie aangenomen om de bouw van grote datacenters tegen te houden? En was al niet in 2022 bepaald door kabinet-Rutte IV dat voor hyperscale datacentra, met een oppervlakte van meer dan 10 hectare en een stroomaansluiting van meer dan 70 MW, alléén nog plek is in Groningen en de Wieringermeerpolder? 

Feit is, dat de geplande hyperscales zich niet hoeven te storen aan de nieuwe regels. Die gelden alleen voor projecten waarvoor een vergunning is aangevraagd nadat het kabinet zijn hyperscalebeleid afkondigde. Dus maak je borst maar nat: er liepen destijds 20 tot 25 aanvragen voor nieuwbouw.

In de Wieringermeer wil Microsoft intussen de komende jaren zes nieuwe datacenters bouwen (naast de tien die er al staan), en ook Google heeft er plannen. Die passen in het bestemmingsplan en in het hyperscalebeleid, dus die zullen waarschijnlijk ook het vergunningstraject overleven.

Lees ook: Big tech ziet goud in Europese angst voor digitale afhankelijkheid

Amsterdam drinkt koffie

De Amsterdamse digitaliseringswethouder Alexander Scholtes lijkt deels zich te verzoenen met het onvermijdelijke. Vorige week nodigde hij de datacenterbedrijven die gaan bouwen uit op de koffie. Hij stelde ze één concrete vraag: of ze de komende jaren niet ook ruimte wilden reserveren voor Nederlandse en Europese klanten.

Een van de bouwers, de directeur van Equinix, zag daarin geen aanleiding om zijn businessmodel aan te passen op zo’n voorrangsregel, zei hij tegen Nieuwsuur. ‘Zo zit de it-wereld niet in elkaar. Het zou ook raar zijn als datacentra buiten Europa zeggen: we willen geen Philips als klant.’

Nederland bedolven onder datacenters

Inwoners van Lelystad voelen zich intussen genaaid door hun stadsbestuur, dat dacht dat de hyperscaler met een vermogen van 150 MW die Equinix daar bouwt qua energieverbruik vergelijkbaar was met 5.000 huishoudens, terwijl het er 200.000 zijn.

 Op de kaart van Europa met (geplande) datacenters die analist Baxtel bijhoudt, is Nederland al nauwelijks zichtbaar, bedolven onder de stipjes die de locaties weergeven. Vooral Amsterdam en omgeving, die liggen bovenop de belangrijkste dataverbindingen van Europa en trekken daarom massaal techbedrijven aan met hun data- en AI-pakhuizen.

Hoe rampzalig is die bouwwoede?

Netcongestie en klimaat

Er heerst in Nederland een wurgende netcongestie, met 15.000 bedrijven die wachten op een stroomaansluiting. Datacenters doen letterlijk en figuurlijk zaken op het hoogste niveau van het stroomnet, en sluiten meestal niet achterin de rij aan. Nog afgezien van alle dozen en torens in het polderlandschap, de energietransitie lijkt niet gebaat bij datacenters die straks samen voor miljoenen huishoudens aan schone elektriciteit verstoken.

Ronduit eng is recent onderzoek dat temperatuurmetingen van satellieten combineerde met de geografische coördinaten van 8.400 AI-datacentra. De temperatuur op het landoppervlak steeg daar gemiddeld  2 graden Celsius in de maanden nadat een AI-datacenter in gebruik wordt genomen, in extreme gevallen schoot het kwik zelfs met 9,1 graden omhoog. Opwarming van de aarde, was daar niet iets mee?

Er is dus veel in te brengen tegen de komst van nog meer internetpakhuizen in een volgepakt land als Nederland. En er staan er al 192, volgens de laatste cijfers van branchevereniging Dutch Data Center Association.

AI Deltaplan en rapport-Wennink

Maar we hebben ze stuk voor stuk nodig, wordt van verschillende kanten gesteld. Nederland moet vooral flink meer investeren in extra rekenkracht en dataopslag om bij te blijven in de AI-revolutie. Het afgelopen jaar liet het ministerie van EZ een AI Deltaplan opstellen, dat pleit voor een Rekenkrachtplan.

Peter Wennink nam in zijn rapport over de concurrentiekracht van Nederland een project op voor een AI-gigafabriek van 22,5 miljard euro die ‘de digitale soevereiniteit en economische weerbaarheid van Nederland en de EU’ moet versterken. Ook AI-lobby AIC4NL pleit in een position paper voor 5 miljard aan investeringen in infrastructuur.

Lees ook: Kabinetsfluisteraar Peter Wennink: ‘Hou alsjeblieft op met R&D een kostenpost noemen’

Merk wel op, dat dit gaat over Nederlandse investeringen in lokale hardware en software waarop een volgende generatie AI-taalmodellen wordt ontwikkeld, idealiter op superzuinige chips die nu in Nederland worden ontwikkeld. Dat draagt bij aan concurrentiekracht en autonomie, en dat geldt ook voor eigen Nederlandse infrastructuur waarop ‘gewone’ kantoorsoftware draait, of de patiëntendossiers en andere data over burgers worden bijgehouden.

Soevereine aanbestedingen

Die digitale soevereiniteit stond vorige week ook op de agenda van de Tweede Kamer, die met staatssecretaris Willemijn Aerdts (Digitale Zaken & Soevereiniteit) sprak. De staatssecretaris heeft helaas geen geld om in zeekabels of datacenters te steken, en zelfs niet om als launching customer bij de AI-gigafabriek in Rotterdam rekenkracht vooruit te bestellen. De markt moet zijn werk doen.

Wel wil ze bekijken of bij aanbestedingen soevereiniteit kan worden meegenomen in de (Europese) regels. Dit moet het makkelijker maken voor de overheid om specifiek te kiezen voor ‘soevereine’ Nederlandse datacenters boven buitenlandse techgiganten.

De Nederlandse Soevereine Datacenter Coöperatie (NSDC), de branchevereniging voor (echt) Nederlandse datacenters, vierde die toezegging als een kleine overwinning. Eerder had de club al geklaagd over het gemak waarmee grootschalige Amerikaanse hyperscalers vergunningen krijgen, terwijl lokale spelers vrijwel onmogelijk nog kunnen bijbouwen vanwege de netcongestie, stikstof en vergunningsvereisten.

Lees ook: Die 195 miljard voor uitbreiding van het stroomnet is niet nodig

Voor wie zetten we Nederland vol?

Dat wij-tegen-hullie is misschien wat zwart-wit, maar het is wel een interessante vraag: voor wie zetten we Nederland vol met datacenters? En als we toch onder de motorkap van die zalen vol serverrekken kijken: voor welke doeleinden slurpen ze straks mee van onze zon- en windenergie?

Volgens recente schattingen uit de sector is 75 procent van de beschikbare datacentercapaciteit in handen van Amerikaanse partijen of wordt die gehuurd door niet-Europese partijen. Vanzelfsprekend zijn Nederlandse bedrijven en organisaties nog steeds enthousiaste klanten bij Microsoft, Google en andere Amerikaanse giganten. Maar die leveren hun diensten vanuit Nederland ook aan andere landen.

Wat dat betreft is sprake van overcapaciteit: uit onderzoek in opdracht van Economische Zaken bleek in 2021 dat het equivalent van slechts 25–35 procent van de Nederlandse capaciteit gebruikt wordt voor in Nederland gevestigde bedrijven. Dat lijkt wel een beetje op de Nederlandse landbouwsector, die zijn positie met succes verdedigt maar intussen melk en eieren ook overwegend produceert voor de export.

Bij het ‘voor wie’ is er ook nog verschil tussen de hyperscalers die in de regel voor één enkele partij draaien en de datacenters die ruimte verhuren aan verschillende klanten, ‘colocatie’ in hun eigen jargon. Hyperscalers leggen vaak hun eigen verbindingen aan. Daarom kunnen Google en Microsoft in Groningen en Middenmeer zitten, een beetje afgelegen. Colocatiedatacenters zijn sterk afhankelijk van de digitale verbindingen met derden in een gebied. Daarom zitten die vaak rond Amsterdam, in de buurt van de internetknooppunten.

Overheid heeft te weinig regie

Dat kopje koffie van de Amsterdamse wethouder geeft het al weg: de overheid heeft te weinig regie over hyperscales. De Kamer drong er in maart al op aan om de regels voor de grootste datacenters aan te scherpen. Interessanter lijkt een Kamermotie die vorige week werd aangenomen: het kabinet moet een nationale aanpak datacenters en datakabels opstellen en opnemen in de Nota Ruimte ‘overwegende dat deze ruimte- en milieu-intensieve bedrijvigheid vraagt om planning en regie op de ruimte.’

Als dat in ertoe leidt dat de overheid wél grip krijgt op de megastallen van de digitale wereld, zou ze nadrukkelijker moeten kijken naar het ‘voor wie’ bij de vergunningverlening. Koppel het aan digitale soevereiniteit.

Een Amerikaans datacenter dat draait voor ‘het buitenland’ verdient in zo’n geval minder prioriteit dan het colocatiecenter waar ziekenhuizen, de Belastingdienst en Nederlandse cloudbedrijven hun serverkasten plaatsen.

En tot slot kan misschien ook het ‘wat’ worden meegenomen in het beleid. Voor de rekenkracht van AI moet Nederland misschien wel plaats inruimen in verband met zijn strategische autonomie en concurrentiekracht. De hoeveelheid data die we produceren, blijft bovendien exponentieel stijgen en zal dus ergens moeten worden opgeslagen.

Zijn grotere en meer datacenters dus een noodzakelijk kwaad, ook als we de grenzen dichtgooien voor de ‘Amerikanen’? Er is wel wat af te dingen op die groeiende datahonger als natuurkracht.

Voor 86 procent rommel

Die is minder absoluut dan hij lijkt, betoogde onder meer techfilosoof Martijn Aslander onlangs. Gemiddeld bestaat 54 procent van alle opgeslagen data uit zogenoemde dark data: bestanden die ooit zijn aangemaakt, maar nooit meer worden geopend of geanalyseerd. Daarbovenop is 32 procent ROT: redundant, obsolete of trivial. Slechts 14 procent van alle bedrijfsdata is daadwerkelijk belangrijk. ‘Organisaties slaan dus voor 86 procent rommel op.’

‘Voordat we als samenleving besluiten om het stroomverbruik van een middelgrote stad te reserveren voor een nieuw datacenter, mogen we vragen wat we daar eigenlijk mee gaan doen. En als het antwoord is dat we er vooral kopieën, streams en logs mee faciliteren: kan dat niet anders?’ Aslander heeft een punt. Misschien moet er wel een accijns op data komen om die overvloed in te dammen.

Cherry picken in de AI-revolutie

Dan de AI-revolutie, die tot 2030 wereldwijd voor een verdubbeling van het stroomverbruik van datacenters zou zorgen. Daarbij kan het ook goed zijn om een stap terug te doen en te kijken waaraan alle gpu’s exact rekenen. Moet Nederland zijn eigen algemene taalmodellen trainen in gigafabrieken of gaan we cherry picken en ons specialiseren in kleinere modellen en slimme toepassingen?

Het is een onmogelijke keuze, want we willen juist niet beknibbelen op data en hardware, en eindelijk eens de stoutmoedige stappen nemen à la rapport-Wennink en AI Deltaplan.

Nebius naar Finland

Maar als de overheid straks inderdaad een keuze kan maken, zet een plan van Han de Groot – de man van die enorme AI-gigafabriek in Wenninks rapport – wel aan het denken. In plaats van miljarden te pompen in Tata Steel in IJmuiden, stelde hij een tijd geleden voor, kan de overheid daar beter een AI-fabriek neerzetten die wél past bij de toekomstige welvaart van ons land.

Een prikkelende gedachte. Voor een groene staalfabriek is inderdaad elders in Europa een veel betere plek te vinden, met goedkope en massale schone energie, dat hoor je vaker. Maar sorry AI-fabrikanten, dat geldt ook voor hyperscalers. Zoals het (niet zo oer-)Nederlandse Nebius bewees: dat zet zijn nieuwste datacenter in Finland neer.

Lees ook: Vervang Tata Steel door een reusachtig datacenter