Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Waarom Nederlands kapitaal stilstaat terwijl scale-ups om groeigeld schreeuwen

In samenwerking met Eyevestor - Honderden miljarden euro's staan op spaarrekeningen, terwijl ambitieuze bedrijven voor financiering naar het buitenland moeten. Dat moet anders, vindt Gijs Dalen Meurs. 'Het is Europa's liquiditeitsprobleem'.

Europa heeft geen gebrek aan kapitaal, stelt Gijs Dalen Meurs, oprichter van investeringsplatform Eyevestor. Integendeel: alleen al in Nederland staat meer dan 600 miljard euro op spaarrekeningen. Toch stokken groeiende bedrijven op financiering en moeten ze aankloppen in de VS, het Midden-Oosten of China. De reden? Het geld circuleert niet.

Die diagnose staat de laatste weken centraal in het publieke debat, sinds het coalitieakkoord delen van het rapport-Wennink overnam en Euronext-CEO René van Vlerken in het AD stelde dat Nederland vooral een liquiditeitsprobleem heeft. ‘Het geld is er wel degelijk,’ beaamt Dalen Meurs. ‘Het is juridisch, fiscaal en technologisch vastgezet. Met de beste bedoelingen, maar met het tegenovergestelde effect.’

Het tipje van de ijsberg

De cijfers zijn veelzeggend. Als slechts 0,1 procent van het Nederlandse spaargeld zou worden geïnvesteerd in scale-ups en MKB-bedrijven, betekent dat al 600 miljoen euro per jaar aan extra kapitaal. ‘Dat verandert de dynamiek van BV Nederland fundamenteel,’ aldus Dalen Meurs. ‘Met zorgvuldige selectie en spreiding is het rendement aantrekkelijk – McKinsey laat zien dat private markten structureel tot de best presterende asset classes behoren.’

Het probleem zit vooral in de structuur van de financieringsketen. Jonge en doorgroeiende bedrijven zijn te afhankelijk van banken en een kleine groep professionele investeerders. Durfkapitaal komt laat, is geconcentreerd bij een select gezelschap, en liquiditeit voor bestaande investeerders ontbreekt vrijwel volledig. ‘Dat is geen marktfout. Dat is beleid. Fiscaliteit. En een verouderde kijk op risico,’ zegt Dalen Meurs.

Investeerdersbescherming verkeerd begrepen

Volgens de Eyevestor-oprichter wordt investeerdersbescherming in Nederland nog te vaak verward met beperking. ‘Echte bescherming zit in keuzevrijheid, inzicht en overdraagbaarheid. Een investeerder die kan bewegen, is beter beschermd dan iemand die wordt vastgezet ‘voor zijn eigen bestwil’.’

De huidige Europese regelgeving (ECSPR) staat alleen een beperkt prikbord toe waar contactgegevens mogen worden gedeeld. Zonder automatisering, vastlegging en audit trail blijft dat volgens Dalen Meurs vooral symbolisch. ‘We pleiten niet voor daytrading of beursachtige systemen, maar wel voor iets wat in 2026 een normale verwachting is: dat een transactie tussen koper en verkoper binnen hetzelfde platform kan plaatsvinden, met goede vastlegging en rapportage.’

Een ander knelpunt: ondernemers hebben nauwelijks ruimte om prijsbandbreedtes aan te geven bij secundaire transacties. ‘Er is geen market maker, weinig liquiditeit, en één incidentele transactie kan een volledig scheef prijsbeeld geven,’ legt Dalen Meurs uit. ‘Prijsdiscipline is geen beperking, maar een voorwaarde voor gezonde kapitaalvorming.’

Kijk naar Engeland en België

Andere Europese landen lopen voorop. Het Verenigd Koninkrijk stimuleert investeren met EIS en SEIS-regelingen, België met tax shelters en win-winleningen. Nederland daarentegen – eeuwenlang handelsnatie en uitvinder van het aandeel – blijft vooral voorzichtig en traag. ‘Vier eeuwen geleden deden we dit beter,’ constateert Dalen Meurs. ‘Het blijft hier fiscaal onaantrekkelijk en bureaucratisch om als gewone burger te investeren in groei.’

Er is beweging. Het rapport-Wennink wordt opgepakt, en dat is volgens Dalen Meurs een belangrijke erkenning: kapitaalmarkten werken alleen als ze compleet zijn, innovatie heeft kapitaal nodig vóór de beursgang, en de overheid moet katalysator zijn in plaats van pinautomaat.

‘Dit is precies waarom Eyevestor bestaat,’ besluit hij. ‘Het dichten van het gat tussen bank, VC en beurs. Het normaliseren van investeren in bedrijven waar je al aan verbonden bent. En het bouwen van een markt waar vertrouwen, transparantie en liquiditeit samenkomen. Niet voor snelle winsten, maar voor duurzame bedrijven en een economie die vooruit wil. Dat dit nu politiek wordt erkend, was geen toeval. Het was noodzakelijk.’