Per hoofd van de bevolking produceert Nederland het beste voetbal van de wereld. Het bewijs? Kijk maar naar de prestaties tijdens vorige WK’s, EK’s en internationale bekercompetities. Opvallend is dat niemand precies weet waarom we het goed doen.
Gokje wagen? Bij de bookmaker Gambling911 kunt u uw pen-sioengeld vervijftienvoudigen. Nederland moet dan wel het WK winnen en u moet al uw geld erop hebben gezet. Voor de internationale gokindustrie is het Nederlands elftal een van de voornaamste kandidaten om het WK te winnen.
Bij Centrebet krijgt u ‘maar’ 13 euro terug voor elke euro die u aan de mannen van Van Basten toevertrouwt. Volgens deze online bookmaker maakt Nederland meer kans dan Frankrijk (1:15) maar minder dan Argentinië (1:10) en veel minder dan Brazilië (1:3,5). Echte gokkers zetten hun geld natuurlijk liever op Ivoorkust, onze eerste tegenstander deze maand. Elke euro inzet komt, bij WK-winst, 81 keer terug.
Wat is de kans dan Nederland bij de laatste vier eindigt? Daar hebben we geen bookmaker voor nodig: die kans is precies 50 procent. Dat leert de voetbalhistorie. Ga maar na, tijdens de laatste tien Wereld- en Europees Kampioenschappen, van het WK Mexico in ’86 tot en met het EK Portugal in 2004 kwam Nederland precies vijf keer in de halve finale. Een knappe prestatie, te meer omdat ons land tijdens twee van die toernooien, namelijk Mexico’86 en Japan/ Korea’02, helemaal niet meedeed. Van de gespeelde halve finales werd één gewonnen (Duitsland’88), één verloren (Portu-gal’04) en moest drie keer de beslissing worden geforceerd met penalties (Zwe-den’92 tegen Denemarken, Frankrijk’98 tegen Brazilië en Nederland/België’00 tegen Italië). Alle drie penalty-shootouts gingen jammerlijk verloren.
Dat het aantal ‘laatste vier plaatsen’ van het Nederlands elftal werkelijk een knappe prestatie is, blijkt als we ze tegen de internationale concurrentie afzetten. Slechts één Europees land kwam beter voor de dag: Duitsland (zes keer in de halve finale). Frankrijk en Italië slaagden er vier keer in, Engeland, Portugal, Tsjechië en Zweden wisten twee keer tot de internationale voetbalelite door te dringen. Voor een klein land deed Nederland het dus opvallend goed. België kwam de afgelopen twintig jaar slechts één keer in een halve finale. Dat was in Mexico in 1986, toen het land in die wedstrijd de pech had tegen Argentinië met een Maradona-in-vorm aan te lopen. Met een paar flitsende solo’s werden de Belgische aspiraties de nek omgedraaid. Overigens wist voetbalgrootmacht Spanje tijdens de laatste tien EK’s en WK’s geen enkele keer tot de laatste vier door te dringen.
Bij Centrebet krijgt u ‘maar’ 13 euro terug voor elke euro die u aan de mannen van Van Basten toevertrouwt. Volgens deze online bookmaker maakt Nederland meer kans dan Frankrijk (1:15) maar minder dan Argentinië (1:10) en veel minder dan Brazilië (1:3,5). Echte gokkers zetten hun geld natuurlijk liever op Ivoorkust, onze eerste tegenstander deze maand. Elke euro inzet komt, bij WK-winst, 81 keer terug.
Wat is de kans dan Nederland bij de laatste vier eindigt? Daar hebben we geen bookmaker voor nodig: die kans is precies 50 procent. Dat leert de voetbalhistorie. Ga maar na, tijdens de laatste tien Wereld- en Europees Kampioenschappen, van het WK Mexico in ’86 tot en met het EK Portugal in 2004 kwam Nederland precies vijf keer in de halve finale. Een knappe prestatie, te meer omdat ons land tijdens twee van die toernooien, namelijk Mexico’86 en Japan/ Korea’02, helemaal niet meedeed. Van de gespeelde halve finales werd één gewonnen (Duitsland’88), één verloren (Portu-gal’04) en moest drie keer de beslissing worden geforceerd met penalties (Zwe-den’92 tegen Denemarken, Frankrijk’98 tegen Brazilië en Nederland/België’00 tegen Italië). Alle drie penalty-shootouts gingen jammerlijk verloren.
Dat het aantal ‘laatste vier plaatsen’ van het Nederlands elftal werkelijk een knappe prestatie is, blijkt als we ze tegen de internationale concurrentie afzetten. Slechts één Europees land kwam beter voor de dag: Duitsland (zes keer in de halve finale). Frankrijk en Italië slaagden er vier keer in, Engeland, Portugal, Tsjechië en Zweden wisten twee keer tot de internationale voetbalelite door te dringen. Voor een klein land deed Nederland het dus opvallend goed. België kwam de afgelopen twintig jaar slechts één keer in een halve finale. Dat was in Mexico in 1986, toen het land in die wedstrijd de pech had tegen Argentinië met een Maradona-in-vorm aan te lopen. Met een paar flitsende solo’s werden de Belgische aspiraties de nek omgedraaid. Overigens wist voetbalgrootmacht Spanje tijdens de laatste tien EK’s en WK’s geen enkele keer tot de laatste vier door te dringen.
Mickey Mouse
Cijfers spelen een hoofdrol in het voetbal. Je kunt nog zo geweldig spelen, als aan het eind van de wedstrijd blijkt dat je met 0-1 achterstaat levert dat weinig op. Maar zodra er over de sport gepraat of geschreven wordt, worden de cijfers in Nederland nogal eens genegeerd. De opvallende prestaties van Oranje krijgen nauwelijks aandacht. De voormalige bondscoach Dick Advocaat wordt meer geassocieerd met een ongelukkige wissel tijdens het EK in Portugal (Robben tegen Tsjechië!) dan met het feit dat hij tijdens dat toernooi de halve finale haalde.
Ook de nationale competitie wordt met het nodige zuur besproken. De eredivisie heet in de krant een ‘Mickey Mouse-competitie’. Vrij vertaald: een competitie waar kleine schattige muisjes druk lopen te doen. Waarom zo denigrerend? Omdat topspelers die in Nederland doorbreken, zoals Van Bommel, Ibrahimovic of Van der Vaart, door buitenlandse clubs worden weggekocht. Is de eredivisie een Mickey Mouse-competitie?
De cijfers vertellen een ander verhaal. Nederlandse clubs wonnen in de vijftigjarige historie van het Europese clubvoetbal in totaal 11 keer een Europa Cup (zes keer Ajax, drie Feyenoord en twee PSV). Daarmee is de eredivisie de op vier na sterkste competitie van Europa. Voetbalkenners zullen zeggen dat de competities van Engeland, Spanje en Italië veel sterker zijn. De cijfers geven de kenners gelijk, zie tabel: het aantal gewonnen Europese bekers van deze drie landen ontloopt elkaar nauwelijks. Maar de eredivisie blijkt niet veel onder te doen voor de Duitse Bundesliga (11 tegenover 17 gewonnen cups). Terwijl er toch vijf keer zo veel Duitsers in Duitsland wonen dan Nederlanders in Nederland. De Duitse voetbalbond telt 6,3 miljoen leden tegenover 1,1 voor de KNVB.
Nu we toch bezig zijn nog maar even wat cijfers. Op de Fifa-ranglijst staat Nederland op de derde plaats. Deze ranglijst wordt door de wereldvoetbalbond opgesteld op grond van de prestaties van de nationale teams in de laatste acht jaar. De enige twee landen die Nederland voor zich moet dulden op de lijst (van 205 landen) zijn Brazilië en Tsjechië.
Een andere veelzeggende lijst is die van het aantal buitenlandse spelers in de Engelse Premier League. Deze competitie is immers de ‘rijkste’ dit moment. In welke niet-Britse landen doen de Engelse clubs hun inkopen op de spelersmarkt? Na de Ier, Fransman en Spanjaard blijkt de Nederlandse speler het meest in trek. Zo speelden afgelopen seizoen in de Premiership twee keer zo veel Nederlanders als Italianen en vier keer als Belgen. Samenvattend, per inwoner wint Nederland de meeste Europacups en halve-finaleplaatsen tijdens EK’s en WK’s van alle Europese landen. Daarnaast staan we hoog op de Fifalijst en zijn we rijk vertegenwoordigd in de Premier League. We zijn geen volkje dat zichzelf graag op de borst slaat. Maar deze cijfers kunnen we toch moeilijk negeren?
Cijfers spelen een hoofdrol in het voetbal. Je kunt nog zo geweldig spelen, als aan het eind van de wedstrijd blijkt dat je met 0-1 achterstaat levert dat weinig op. Maar zodra er over de sport gepraat of geschreven wordt, worden de cijfers in Nederland nogal eens genegeerd. De opvallende prestaties van Oranje krijgen nauwelijks aandacht. De voormalige bondscoach Dick Advocaat wordt meer geassocieerd met een ongelukkige wissel tijdens het EK in Portugal (Robben tegen Tsjechië!) dan met het feit dat hij tijdens dat toernooi de halve finale haalde.
Ook de nationale competitie wordt met het nodige zuur besproken. De eredivisie heet in de krant een ‘Mickey Mouse-competitie’. Vrij vertaald: een competitie waar kleine schattige muisjes druk lopen te doen. Waarom zo denigrerend? Omdat topspelers die in Nederland doorbreken, zoals Van Bommel, Ibrahimovic of Van der Vaart, door buitenlandse clubs worden weggekocht. Is de eredivisie een Mickey Mouse-competitie?
De cijfers vertellen een ander verhaal. Nederlandse clubs wonnen in de vijftigjarige historie van het Europese clubvoetbal in totaal 11 keer een Europa Cup (zes keer Ajax, drie Feyenoord en twee PSV). Daarmee is de eredivisie de op vier na sterkste competitie van Europa. Voetbalkenners zullen zeggen dat de competities van Engeland, Spanje en Italië veel sterker zijn. De cijfers geven de kenners gelijk, zie tabel: het aantal gewonnen Europese bekers van deze drie landen ontloopt elkaar nauwelijks. Maar de eredivisie blijkt niet veel onder te doen voor de Duitse Bundesliga (11 tegenover 17 gewonnen cups). Terwijl er toch vijf keer zo veel Duitsers in Duitsland wonen dan Nederlanders in Nederland. De Duitse voetbalbond telt 6,3 miljoen leden tegenover 1,1 voor de KNVB.
Nu we toch bezig zijn nog maar even wat cijfers. Op de Fifa-ranglijst staat Nederland op de derde plaats. Deze ranglijst wordt door de wereldvoetbalbond opgesteld op grond van de prestaties van de nationale teams in de laatste acht jaar. De enige twee landen die Nederland voor zich moet dulden op de lijst (van 205 landen) zijn Brazilië en Tsjechië.
Een andere veelzeggende lijst is die van het aantal buitenlandse spelers in de Engelse Premier League. Deze competitie is immers de ‘rijkste’ dit moment. In welke niet-Britse landen doen de Engelse clubs hun inkopen op de spelersmarkt? Na de Ier, Fransman en Spanjaard blijkt de Nederlandse speler het meest in trek. Zo speelden afgelopen seizoen in de Premiership twee keer zo veel Nederlanders als Italianen en vier keer als Belgen. Samenvattend, per inwoner wint Nederland de meeste Europacups en halve-finaleplaatsen tijdens EK’s en WK’s van alle Europese landen. Daarnaast staan we hoog op de Fifalijst en zijn we rijk vertegenwoordigd in de Premier League. We zijn geen volkje dat zichzelf graag op de borst slaat. Maar deze cijfers kunnen we toch moeilijk negeren?
Voetbaldichtheid
Het is ook niet verstandig om de cijfers te negeren. Ook als je voorop loopt moet je weten wat je sterke en zwakke punten zijn. Al was het maar om te zorgen dat de voorsprong niet verloren gaat. Waarom gaat het goed? Is het traditie, beleid, management, organisatie? Zit het in onze genen? Of misschien in het leidingwater? Henk van de Wetering, hoofd van de KNVB Academie, het opleidingsinstituut van de bond, wordt als hij voor een spreekbeurt in het buitenland is regelmatig met dezelfde vraag geconfronteerd: hoe komt zo’n klein land aan die hoge notering op de Fifa-ranglijst? Van de Wetering: “Ik wijs op de gunstige voetbalsituatie bij ons. De voetbaldichtheid is hoog, er zijn veel clubs en spelers. De faciliteiten zijn goed.”
Voetbal is de belangrijkste sport in Nederland, tegenover bijvoorbeeld de VS met zijn baseball en American football. De aandacht van overheid, pers en publiek is groot. Daarmee zijn we er nog niet. Ook in Duitsland en Engeland staat voetbal op nummer één en is er een goede infrastructuur.
Volgens Maarten van Bottenburg, directeur van het sportonderzoekbureau Mulier Instituut en bijzonder hoogleraar sportontwikkeling, kan ruim de helft van sportieve succesen worden verklaard door inwonersaantal en bruto nationaal product (bnp). De rest moet worden veroorzaakt door andere factoren, maar dat is in het voetbal nooit onderzocht. “Ik ken geen onderzoek waarin andere factoren worden aangedragen ter verklaring van het bovenmaatse succes van Nederland op voetbalgebied,” aldus Van Bottenburg.
Ook hij ziet het aantal georganiseerde spelers, de faciliteiten en de goede organisatie als mogelijke verklaringen. “Vrijwel iedere club beschikt naar internationale standaarden over een mooie accommodatie. De competities verlopen vrijwel vlekkeloos voor alle leeftijdsgroepen en voetbalniveaus. Ook de talentselectie is goed georganiseerd.”
Een andere mogelijke factor kan volgens Van Bottenburg de speelstijl zijn. Nederlandse teams hanteren vaak de aanvallende 4-3-3-opstelling, ook wel de Ajax-stijl genoemd. “Het voordeel,” aldus Van Bottenburg, “is niet alleen de aanvallende instelling maar ook dat andere landen het spelen tegen een ploeg met vleugelspelers niet gewend zijn en minder gemakkelijk hun eigen spel kunnen spelen.”
Nadeel van de aanvallende instelling is de kwetsbaarheid. “In het buitenland staat Oranje dan ook bekend als een ploeg die prachtig voetbal speelt, maar niet in staat is om de belangrijkste wedstrijden te winnen.” Van de Wetering wijst nog op de jeugdopleiding. De Nederlandse clubs staan internationaal bekend om hun goede opleiding. Talenten, waaronder allochtone jongens, worden van straat geplukt en bij de clubs ondergebracht. “Om topsporter te worden heb je tienduizend uur training nodig,” aldus Van de Wetering.
Dat Nederland een klein land is pakt gunstig uit. In de jeugdcompetities kunnen de beste spelers tegen elkaar spelen. “Duitsland is gigantisch groot, daar lukt dat niet,” zegt Van de Wetering. Toch bekruipt het gevoel dat de verklaring niet volledig is. Ook Franse, Engelse en Duitse clubs steken miljoenen in hun jeugdopleiding. Waarom blijven zij dan toch steken op respectievelijk nummer 7, 10 en 19 op de Fifa-ranglijst?
Het is ook niet verstandig om de cijfers te negeren. Ook als je voorop loopt moet je weten wat je sterke en zwakke punten zijn. Al was het maar om te zorgen dat de voorsprong niet verloren gaat. Waarom gaat het goed? Is het traditie, beleid, management, organisatie? Zit het in onze genen? Of misschien in het leidingwater? Henk van de Wetering, hoofd van de KNVB Academie, het opleidingsinstituut van de bond, wordt als hij voor een spreekbeurt in het buitenland is regelmatig met dezelfde vraag geconfronteerd: hoe komt zo’n klein land aan die hoge notering op de Fifa-ranglijst? Van de Wetering: “Ik wijs op de gunstige voetbalsituatie bij ons. De voetbaldichtheid is hoog, er zijn veel clubs en spelers. De faciliteiten zijn goed.”
Voetbal is de belangrijkste sport in Nederland, tegenover bijvoorbeeld de VS met zijn baseball en American football. De aandacht van overheid, pers en publiek is groot. Daarmee zijn we er nog niet. Ook in Duitsland en Engeland staat voetbal op nummer één en is er een goede infrastructuur.
Volgens Maarten van Bottenburg, directeur van het sportonderzoekbureau Mulier Instituut en bijzonder hoogleraar sportontwikkeling, kan ruim de helft van sportieve succesen worden verklaard door inwonersaantal en bruto nationaal product (bnp). De rest moet worden veroorzaakt door andere factoren, maar dat is in het voetbal nooit onderzocht. “Ik ken geen onderzoek waarin andere factoren worden aangedragen ter verklaring van het bovenmaatse succes van Nederland op voetbalgebied,” aldus Van Bottenburg.
Ook hij ziet het aantal georganiseerde spelers, de faciliteiten en de goede organisatie als mogelijke verklaringen. “Vrijwel iedere club beschikt naar internationale standaarden over een mooie accommodatie. De competities verlopen vrijwel vlekkeloos voor alle leeftijdsgroepen en voetbalniveaus. Ook de talentselectie is goed georganiseerd.”
Een andere mogelijke factor kan volgens Van Bottenburg de speelstijl zijn. Nederlandse teams hanteren vaak de aanvallende 4-3-3-opstelling, ook wel de Ajax-stijl genoemd. “Het voordeel,” aldus Van Bottenburg, “is niet alleen de aanvallende instelling maar ook dat andere landen het spelen tegen een ploeg met vleugelspelers niet gewend zijn en minder gemakkelijk hun eigen spel kunnen spelen.”
Nadeel van de aanvallende instelling is de kwetsbaarheid. “In het buitenland staat Oranje dan ook bekend als een ploeg die prachtig voetbal speelt, maar niet in staat is om de belangrijkste wedstrijden te winnen.” Van de Wetering wijst nog op de jeugdopleiding. De Nederlandse clubs staan internationaal bekend om hun goede opleiding. Talenten, waaronder allochtone jongens, worden van straat geplukt en bij de clubs ondergebracht. “Om topsporter te worden heb je tienduizend uur training nodig,” aldus Van de Wetering.
Dat Nederland een klein land is pakt gunstig uit. In de jeugdcompetities kunnen de beste spelers tegen elkaar spelen. “Duitsland is gigantisch groot, daar lukt dat niet,” zegt Van de Wetering. Toch bekruipt het gevoel dat de verklaring niet volledig is. Ook Franse, Engelse en Duitse clubs steken miljoenen in hun jeugdopleiding. Waarom blijven zij dan toch steken op respectievelijk nummer 7, 10 en 19 op de Fifa-ranglijst?
Genie
Er is meer aan de hand. Niet alleen is het Nederlands voetbal succesvol, er wordt in ons land bovendien aanvallend en attractief gespeeld. Uitzonderlijk attractief, zeker als je het Nederlands voetbal vergelijkt met het Duitse, Belgische of Italiaanse. Ook al hebben we soms een buitenstaander nodig om ons erop te wijzen.
In het boek Briljant Oranje beschrijft de Engelse schrijver David Winner zijn fascinatie voor wat hij ‘het genie van het Nederlandse voetbal’ noemt. Wat hij daarmee bedoelt is dat Nederlands teams niet alleen opmerkelijke resultaten behalen maar dat bovendien doen met tot de verbeelding sprekend voetbal. De schoonheid van het spel is nog belangrijker dan de uitslag, stelt Winner met onverholen bewondering.
Hij beschrijft hoe de Ajax-fans in 1973 ontevreden thuis kwamen uit Belgrado waar de finale van de Europa Cup I was gespeeld. Jawel, hun club had de beker gewonnen, voor de derde keer op rij. Maar de wedstrijd (1-0 tegen Juventus) was saai geweest! Dennis Bergkamp zou volgens Winner ooit hebben gezegd dat hij ‘niet geïnteresseerd is in het scoren van lelijke doelpunten’.
Een goed resultaat – de wedstrijd winnen – én aantrekkelijk spelen. Nederlandse voetbalteams lijken steeds aan beide eisen te willen voldoen. Het volgende kenmerkende Johan Cruijff-citaat (uit het boek van David Winner) is illustratief: “Professioneel voetbal betekent geld. Het betekent iets bereiken. Idealisme betekent natuurlijk van mooi voetbal houden. En het betekent dat je in je leven nooit concessies moet doen aan het ene of het andere. Die dingen zijn even belangrijk.” Op de vraag of de resultaten van die twee eigenlijk niet tegengesteld zijn, antwoordde Cruijff: “Dat denk ik niet. Dat blijkt niet zo te zijn.”
Terugdenkend aan de Fifa-ranglijst en de Europacups moet Cruijff gelijk worden gegeven. ‘Iets bereiken’ en ‘mooi voetbal’ kunnen inderdaad hand in hand gaan. In ieder geval in Nederland. Maar daarmee is het bovenmaatse succes van het Nederlands voetbal nog steeds niet thuisgebracht. Durven we bij gebrek aan wetenschappelijk onderzoek dan zelf maar op zoek te gaan naar een verklaring?
Laten we eens brutaal zijn. De sleutel moet in de jaren zeventig liggen. In de periode 1970-74 brak het aanvallende ‘Ajax-systeem’ door, aan de hand van trainer Rinus Michels en sterspeler Cruijff. Niet alleen de resultaten (Europacups en WK-finaleplaatsen) maar ook de speelstijl spraken internationaal tot de verbeelding.
Er is meer aan de hand. Niet alleen is het Nederlands voetbal succesvol, er wordt in ons land bovendien aanvallend en attractief gespeeld. Uitzonderlijk attractief, zeker als je het Nederlands voetbal vergelijkt met het Duitse, Belgische of Italiaanse. Ook al hebben we soms een buitenstaander nodig om ons erop te wijzen.
In het boek Briljant Oranje beschrijft de Engelse schrijver David Winner zijn fascinatie voor wat hij ‘het genie van het Nederlandse voetbal’ noemt. Wat hij daarmee bedoelt is dat Nederlands teams niet alleen opmerkelijke resultaten behalen maar dat bovendien doen met tot de verbeelding sprekend voetbal. De schoonheid van het spel is nog belangrijker dan de uitslag, stelt Winner met onverholen bewondering.
Hij beschrijft hoe de Ajax-fans in 1973 ontevreden thuis kwamen uit Belgrado waar de finale van de Europa Cup I was gespeeld. Jawel, hun club had de beker gewonnen, voor de derde keer op rij. Maar de wedstrijd (1-0 tegen Juventus) was saai geweest! Dennis Bergkamp zou volgens Winner ooit hebben gezegd dat hij ‘niet geïnteresseerd is in het scoren van lelijke doelpunten’.
Een goed resultaat – de wedstrijd winnen – én aantrekkelijk spelen. Nederlandse voetbalteams lijken steeds aan beide eisen te willen voldoen. Het volgende kenmerkende Johan Cruijff-citaat (uit het boek van David Winner) is illustratief: “Professioneel voetbal betekent geld. Het betekent iets bereiken. Idealisme betekent natuurlijk van mooi voetbal houden. En het betekent dat je in je leven nooit concessies moet doen aan het ene of het andere. Die dingen zijn even belangrijk.” Op de vraag of de resultaten van die twee eigenlijk niet tegengesteld zijn, antwoordde Cruijff: “Dat denk ik niet. Dat blijkt niet zo te zijn.”
Terugdenkend aan de Fifa-ranglijst en de Europacups moet Cruijff gelijk worden gegeven. ‘Iets bereiken’ en ‘mooi voetbal’ kunnen inderdaad hand in hand gaan. In ieder geval in Nederland. Maar daarmee is het bovenmaatse succes van het Nederlands voetbal nog steeds niet thuisgebracht. Durven we bij gebrek aan wetenschappelijk onderzoek dan zelf maar op zoek te gaan naar een verklaring?
Laten we eens brutaal zijn. De sleutel moet in de jaren zeventig liggen. In de periode 1970-74 brak het aanvallende ‘Ajax-systeem’ door, aan de hand van trainer Rinus Michels en sterspeler Cruijff. Niet alleen de resultaten (Europacups en WK-finaleplaatsen) maar ook de speelstijl spraken internationaal tot de verbeelding.
Er is geen land waar een klein groepje voetbalmensen zo veel invloed heeft gehad. In de jaren tachtig kwam Michels als technisch directeur in dienst bij de KNVB waar hij samen met de clubs de jeugdopleidingen verder gestalte gaf.
In dezelfde periode keerde Cruijff als trainer terug bij Ajax waar hij de opleiding en scouting reorganiseerde, en de basis legde voor de successen van de club in de jaren 1987-95 (drie gewonnen Europa Cups). Nederland is uniek omdat de voetbalelite al decennia min of meer volgens hetzelfde concept werkt. Het door Cruijff bij Ajax ingeramde 4-3-3-systeem werd verder geperfectioneerd door Louis van Gaal.
Als een evangelie lijkt het zich tegenwoordig verder te verspreiden, niet alleen bij het Nederlands elftal maar zelfs in het buitenland waar Nederlandse trainers werken, zoals bij FC Barcelona (Rijkaard) en FC Porto (Adriaanse). De kracht van Nederland ligt erin dat een hele voetbalnatie aan één beleid gehoorzaamt. Het systeem is ingebrand in de jeugdopleiding en de trainersscholing. De spelers weten wat ze moeten doen. Het systeem is bovendien, mits goed uitgevoerd, voor de tegenstanders moeilijk te bestrijden. Zoals elke manager weet: een succesvolle onderneming moet beschikken over een sterke langetermijnvisie die vasthoudend wordt uitgevoerd. Het verschil is alleen dat deze visie voor het Nederlandse voetbalbedrijf niet vooraf is geformuleerd maar in de praktijk tot stand gekomen.
Ironisch genoeg hebben de jaren zeventig nog een andere erfenis nagelaten. De ontevredenheid van de Ajax-supporters na de gewonnen Europacupfinale heeft een trend gezet. Als het voetbal ook maar even niet aanvallend, attractief en dwingend was, werd er gemopperd. Ex-bondscoach Dick Advocaat die zijn contract meteen na het EK in Portugal liet ontbinden, weet er van mee te praten. Het publiek bij de 4-3-3-pionier Ajax staat inmiddels bekend als het veeleisendste, snelst teleurgestelde en aangebrande voetbalpubliek dat er te vinden is. Zou het door deze zelfkritische houding komen dat we er in dit land eigenlijk nooit bij stilstaan dat er uitzonderlijk succesvol wordt gevoetbald? Hoe dan ook, de opdracht voor Marco van Basten en zijn team is helder: mooi spelen én winnen. Met minder nemen we in dit land geen genoegen.
In dezelfde periode keerde Cruijff als trainer terug bij Ajax waar hij de opleiding en scouting reorganiseerde, en de basis legde voor de successen van de club in de jaren 1987-95 (drie gewonnen Europa Cups). Nederland is uniek omdat de voetbalelite al decennia min of meer volgens hetzelfde concept werkt. Het door Cruijff bij Ajax ingeramde 4-3-3-systeem werd verder geperfectioneerd door Louis van Gaal.
Als een evangelie lijkt het zich tegenwoordig verder te verspreiden, niet alleen bij het Nederlands elftal maar zelfs in het buitenland waar Nederlandse trainers werken, zoals bij FC Barcelona (Rijkaard) en FC Porto (Adriaanse). De kracht van Nederland ligt erin dat een hele voetbalnatie aan één beleid gehoorzaamt. Het systeem is ingebrand in de jeugdopleiding en de trainersscholing. De spelers weten wat ze moeten doen. Het systeem is bovendien, mits goed uitgevoerd, voor de tegenstanders moeilijk te bestrijden. Zoals elke manager weet: een succesvolle onderneming moet beschikken over een sterke langetermijnvisie die vasthoudend wordt uitgevoerd. Het verschil is alleen dat deze visie voor het Nederlandse voetbalbedrijf niet vooraf is geformuleerd maar in de praktijk tot stand gekomen.
Ironisch genoeg hebben de jaren zeventig nog een andere erfenis nagelaten. De ontevredenheid van de Ajax-supporters na de gewonnen Europacupfinale heeft een trend gezet. Als het voetbal ook maar even niet aanvallend, attractief en dwingend was, werd er gemopperd. Ex-bondscoach Dick Advocaat die zijn contract meteen na het EK in Portugal liet ontbinden, weet er van mee te praten. Het publiek bij de 4-3-3-pionier Ajax staat inmiddels bekend als het veeleisendste, snelst teleurgestelde en aangebrande voetbalpubliek dat er te vinden is. Zou het door deze zelfkritische houding komen dat we er in dit land eigenlijk nooit bij stilstaan dat er uitzonderlijk succesvol wordt gevoetbald? Hoe dan ook, de opdracht voor Marco van Basten en zijn team is helder: mooi spelen én winnen. Met minder nemen we in dit land geen genoegen.
Zuur toontje
Zijn voetbaljournalisten zuurpruimen? Veel mensen ergeren zich aan de negatieve toon in de verslaggeving van kranten en tv-journalisten over het vaderlandse voetbal. Terecht? Student Sander Collewijn, zelf topsporter (hockey en tennis), was overtuigd dat Studio Sport niet alleen negatief was maar bovendien bevooroordeeld in de mening over bepaalde clubs. Voor zijn scriptie typte hij hele uitzendingen uit en deed hij tekstonderzoek. Wat bleek? “Dat het niet klopt,” zegt Collewijn. “Het beeld van de verzuurde Nederlandse voetbaljournalistiek is een vooroordeel. Ook is het niet zo dat sommige clubs bij de reportages worden voorgetrokken ten koste van andere.”
Toch merkwaardig, want waar komt dat vooroordeel dan vandaan? “Je pikt negatieve informatie nu eenmaal makkelijker op dan positieve en je onthoudt het beter,” zegt Liesbet van Zoonen, hoogleraar media en populaire cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.
Toch zou het haar niet verbazen dat er een kern van waarheid in het vooroordeel zit, al is het bij de ene krant of tv-rubriek sterker dan de andere. “Ik heb ook het idee dat er snel over het Nederlands elftal wordt gezeurd.” De verklaring zou volgens Van Zoonen kunnen liggen bij de WK-finale van 1974. “Het voetbal uit die tijd is de meetlat geworden waar we nooit meer aan konden voldoen. Een fan van het Schotse team vindt het al prachtig als zijn team zijn best doet. Veel kans dat ze kampioen worden is er toch niet. Bij Nederland kan dat wel. Alleen halen we het steeds nét niet. Die Schotten staan er veel positiever in dan wij.” Psychologie van de koude grond, benadrukt Van Zoonen. “Ik heb hier geen onderzoek naar gedaan.”
Zijn voetbaljournalisten zuurpruimen? Veel mensen ergeren zich aan de negatieve toon in de verslaggeving van kranten en tv-journalisten over het vaderlandse voetbal. Terecht? Student Sander Collewijn, zelf topsporter (hockey en tennis), was overtuigd dat Studio Sport niet alleen negatief was maar bovendien bevooroordeeld in de mening over bepaalde clubs. Voor zijn scriptie typte hij hele uitzendingen uit en deed hij tekstonderzoek. Wat bleek? “Dat het niet klopt,” zegt Collewijn. “Het beeld van de verzuurde Nederlandse voetbaljournalistiek is een vooroordeel. Ook is het niet zo dat sommige clubs bij de reportages worden voorgetrokken ten koste van andere.”
Toch merkwaardig, want waar komt dat vooroordeel dan vandaan? “Je pikt negatieve informatie nu eenmaal makkelijker op dan positieve en je onthoudt het beter,” zegt Liesbet van Zoonen, hoogleraar media en populaire cultuur aan de Universiteit van Amsterdam.
Toch zou het haar niet verbazen dat er een kern van waarheid in het vooroordeel zit, al is het bij de ene krant of tv-rubriek sterker dan de andere. “Ik heb ook het idee dat er snel over het Nederlands elftal wordt gezeurd.” De verklaring zou volgens Van Zoonen kunnen liggen bij de WK-finale van 1974. “Het voetbal uit die tijd is de meetlat geworden waar we nooit meer aan konden voldoen. Een fan van het Schotse team vindt het al prachtig als zijn team zijn best doet. Veel kans dat ze kampioen worden is er toch niet. Bij Nederland kan dat wel. Alleen halen we het steeds nét niet. Die Schotten staan er veel positiever in dan wij.” Psychologie van de koude grond, benadrukt Van Zoonen. “Ik heb hier geen onderzoek naar gedaan.”



