Hij heet de echte leider te zijn van het kabinet-Balkenende. Gerrit Zalm waakt over de schatkist, en als zijn collega-ministers iets willen, moeten ze bij hem te biecht. “Ze willen geen ruzie met mij.”
Zo snel kan het gaan in de politiek. Een week na het interview dat wij hebben met Gerrit Zalm zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Een van de verliezers: de VVD. Lijsttrekker Jozias van Aartsen trekt het boetekleed aan en treedt af. Diezelfde dag maakt Hans Wiegel bekend niet beschikbaar te zijn voor de post bij de verkiezingen in 2007. Wie moet het dan doen? Jonge hond Rutte? Toch Henk Kamp? Of speelt de VVD op veilig en kiest de partij opnieuw voor Gerrit Zalm? De minister van Financiën heeft al eerder de kar getrokken, bij de verkiezingen in 2003, waarbij zijn partij vier zetels winst boekte. Bovendien heet Zalm de echte leider te zijn van het kabinet-Balkenende. Als minister van Financiën waakt hij al bijna twaalf jaar – met een onderbreking van een jaar – over ’s lands pecunia. Als een collega-minister extra geld nodig heeft, moet hij eerst langs bij Zalm. “Nieuwe collega’s vertel ik wel eens dat minister van Financiën de eenvoudigste baan ter wereld is. Het enige wat je moet kunnen is ‘nee’ zeggen. Er is maar één moment dat je ja moet zeggen, dat is als ze vragen: zei u nee?”
Dat kunt u goed, nee zeggen?
“Ja, er zijn altijd meer wensen dan mogelijkheden. Maar we beperken het niet alleen tot boekhouden. We moeten krachtens de wet het beleid ook beoordelen op rechtmatigheid en doelmatigheid. Doelmatigheid is een weids begrip, en wij vullen dat ook weids in. Vroeger waren we de vijand van de departementen, nu zijn we veel actiever in het ontwikkelen en vormgeven van beleid.”
Maar dan begeeft u zich op het terrein van andere ministers. Accepteren zij dat?
“Het verschilt per departement. En het hangt ook af van de ministers. In de tijd dat Melkert op Sociale Zaken zat, waren de verhoudingen iets minder harmonieus dan nu. Inmiddels zien de ministers er ook brood in. Ze weten dat je een zeker commitment krijgt als je Financiën vroeg ergens bij betrekt. Dat is een nieuwe samenwerkingsvorm die ook op ambtelijk niveau beter gaat dan vroeger.”
Onlangs presenteerde u het plan-Zalm, waardoor zwervers binnen zeven jaar onder dak gebracht moeten zijn. Had een minister van VWS dat niet moeten doen?
“Het was extreem ingewikkeld, omdat er zo veel ministeries bij betrokken zijn, naast gemeenten, GGD’s, AWBZ-zorgkantoren, woningbouwverenigingen. Ik ergerde mij eraan dat dit niet op te lossen was en heb mij er vol ingegooid, samen met een uitstekende ambtenaar. En dan blijk je dingen te kunnen bewerkstelligen die eerst niet leken te kunnen.”
Maar het gaat ruim over de grens van uw taakomschrijving heen.
“Inderdaad. Iedereen vond het wel mooi dat ik dat deed, want anders was er nu nog niks gebeurd. Maar het was wel gek.”
Kunt u zich dat veroorloven omdat u al zo lang minister bent?
“Als ik nieuw was en die anderen zaten er al elf jaar, dan had ik dat niet voor elkaar gekregen. Er zijn zoveel verantwoordelijkheden voor het onderwerp dat niemand verantwoordelijk is. Dat betekent dat als je het wilt aanpakken, het niet alleen wordt toegestaan, maar zelfs toegejuicht. Ik denk dat staatssecretaris Ross (VWS, red.) mij zeer dankbaar is. Zij heeft ook helemaal niet gezegd: ‘Dat moet jij niet doen, dat moet ik doen.’ Toen ik de partijen bij elkaar bracht, ontstond er trouwens wel wat achterdocht, met name bij PvdA-wethouders: wat wil die Zalm?”
Bij de formatie heeft u een ander departementoverschrijdend onderwerp geclaimd: het terugdringen van administratieve lastendruk. Waarom?
“Ik vond dat ze op EZ te weinig voortgang boekten. Zij hebben ook te weinig machtsmiddelen tegenover de departementen. Bij mij moeten ze altijd te biecht voor de begroting. Vooruitlopend daarop wil ik dat ze eerst een rondje administratieve lasten doen. Dan moeten ze wel.”
Met als sanctie dat ze anders minder geld krijgen…
“Nee hoor, maar ze willen gewoon geen ruzie met mij. En wij zijn natuurlijk gewend die interdepartementale coördinatie te doen. Wij hebben die traditie via de begroting. En we hebben dat systeem ook à la de begroting opgezet. Met plafonds, compensatieverplichtingen als men overschrijdingen heeft en dat soort dingen meer.”
Ondernemers klagen dat ze er nog niet veel van merken.
“Als iets er niet meer is, merken mensen het niet. Straks heeft men nog maar met één instatie te maken voor de loonbelasting. Alleen de Belastingdienst komt nog collecteren. De enquêtes van het CBS vervallen, allerlei formulieren verdwijnen. Natuurlijk is het een verandering en iedere verandering is vervelend. Daar moeten ondernemers zich aan aanpassen. Maar op den duur is het prettig.
Sommige dingen zijn ook nog in de maak. Je hebt nu 24 vergunningstelsels als je een gebouw ergens neer wilt zetten. Dat wordt straks één vergunning.”
U heeft beloofd om een kwart van de administratieve lasten te schrappen voor 2007. Gaat dat lukken?
“Dat is wel mijn verwachting. We zitten nu op ruim tien procent. Het is een taai en moeizaam proces. Misschien lopen we hier en daar wat vertraging op, maar dan hoop ik dat we door extra andere maatregelen die kwart toch realiseren. Verder wil ik niet alleen naar het kwantitatieve aspect kijken, maar ook naar de ergernis van mensen. Sommige dingen zijn ergerlijk, terwijl ze in termen van kosten niet zo heel groot zijn.”
In het jaarlijkse imago-onderzoek van Management Team scoort de Belastingdienst altijd heel goed. Hoe verklaart u dat?
(Lachend:) “Dat komt omdat ik mij er weinig mee bemoei. Het runnen van zo’n dienst van 30.000 man is gewoon een professie. Ik laat dat vooral over aan de verantwoordelijke manager, in dit geval de directeur-generaal en haar team.”
U lijkt ons niet de persoon om zich helemaal niet met zo’n belangrijke dienst te bemoeien.
“Nee, dat zeg ik ook niet. De elektronische aangifte is bijvoorbeeld een enorme verbetering. Straks gaan we voorinvullen, dat scheelt nog meer tijd. Dat zijn ontwikkelingen die je als politicus wel stimuleert. Maar de ideeën komen vooral van onderop. Wel heb ik mensen aangenomen die passen bij zo’n cultuuromslag. Ik heb alle generaals die hier zitten benoemd, behalve de secretaris-generaal, dat was precies in het interbellum toen ik in de Kamer zat.”
Voert u zelf de functioneringsgesprekken met de directeur-generaals?
“De secretaris-generaal doet het systematisch, en ik bij tijd en wijle. En ik voer het gesprek met de secretaris-generaal.”
Legt u ze dan ook targets op?
“Daar zijn afspraken over, maar dat is de taak van de secretaris-generaal. Het is overigens niet gemakkelijk om bijvoorbeeld een directeur-generaal Rijksbegroting af te rekenen op het begrotingsbeleid. Je kunt wel afspreken dat bepaalde zwakke plekken in de organisatie worden versterkt of gereorganiseerd. Maar ik moet zeggen, op het departement zijn geen zwakke plekken meer.”
Dat weet u zeker?
“Nou ja, in de jaren zeventig werkte ik hier als ambtenaar. Als iemand niet goed functioneerde, dan ging je met zijn plaatsvervanger werken, of met zijn baas. Dat kunnen we ons nu niet meer permitteren. Financiën is zonder meer op orde. Er zijn collega’s die mij benijden.”
U zit nu twaalf jaar op Financiën, u heeft alles al een keer voorbij zien komen. Ziet u het allemaal nog wel scherp?
“Als je niet uitkijkt heb je de neiging te denken dat je alles al weet. Terwijl iedere begrotingsvoorbereiding anders is en de contacten met de departementen veranderen. Je moet dus zorgen dat je je eigen kritiek organiseert.”
Hoe doet u dat?
“Topbenoemingen moeten mensen zijn die je durven tegenspreken. Sterker nog, die dat als hun taak zien. En ik probeer het ook uit te lokken bij de andere medewerkers. Die moeten met nieuwe ideeën blijven komen en vooral de minister blijven opvoeden. Je moet ook jonge mensen aan bod laten komen. Wat dat betreft is de afstand tussen minister en werkvloer veel kleiner dan in een bedrijf. Ik was op weg naar Sofia met een medewerker die hier vier maanden werkte. Hij had mij inmiddels vier keer ontmoet. Daarvoor had hij vier jaar bij de centrale stafafdeling van de Rabobank gezeten, maar Heemskerk nog nooit gezien. Dat zegt niets over Heemskerk, maar veel over Financiën. Als hier iets wordt besproken, dan is de auteur van de nota er vaak bij. Dat kan een hele nieuwe medewerker zijn. Echte deskundigen, dat zijn altijd jonge mensen. Want hoe hoger, hoe dommer.”
U heeft domme managers in uw ministerie?
“Nou dom… De baas hoeft niet de meest deskundige te zijn. Hij moet degene zijn die de boel goed organiseert en de mensen coacht. We zijn er ook van afgestapt dat de knapste per se de afdelingschef moet zijn.”
Dat werkte niet?
“Nee, we hebben faciliteiten gecreëerd om mensen die gewoon erg goed zijn, maar geen leidinggevende kwaliteiten hebben, toch op een behoorlijke manier te belonen.”
U spreekt hier met zoveel vuur over, terwijl u net vertelde dat het personeelsbeleid een taak is van de secretaris-generaal.
“Ja, enigszins tot mijn spijt. Op het CPB was ik zowel manager als eerstverantwoordelijke en dat vond ik erg leuk. Daar was de cultuur bij mijn aantreden helemaal zo dat de knapste het baasje werd. Ik ben toen met de hele organisatie, van top tot secretaresses en huishoudelijke dienst, een sterkte-zwakteanalyse gaan maken. Hartstikke leuk, en het eindresultaat werd gedragen door het hele bureau.”
Dus u dacht: dat kan hier ook.
“Toen ik terugkwam op het ministerie merkte ik dat een aantal mensen, die in 1983 niet goed functioneerden, er nog steeds zaten. Ik heb toen meteen mijn CPB-ervaring aangekaart en dat is goed opgepakt. Zonder dat het schade berokkende aan betrokkenen. Ieder mens kan wat, alleen soms zit je op de verkeerde plek. Meestal is het een kwestie van samen een oplossing zoeken. Dat vind ik leuke dingen, die eigenlijk te weinig in mijn functie tot uitdrukking komen. Ik ben te veel bezig met allerlei politieke en inhoudelijke dossiers, maar dat leidinggeven heb ik altijd mooi gevonden. Ik doe het nog wel, ik stimuleer of corrigeer bepaalde ontwikkelingen. Maar iets afstandelijker dan destijds.”
U zou dus in 2008 zomaar directeur HR bij een groot bedrijf kunnen zijn?
“Of minister van Financiën, dat is ook een mogelijkheid. Daar heb ik bepaald geen weerzin tegen.”
En minister-president?
“Dan moeten de peilingen wel erg veranderen. Ik heb destijds als lijsttrekker gezegd dat ik dat wel zou willen, maar Balkenende heeft meer stemmen gekregen, dus die is het.”
Vindt u dat Nederland een leiderschapsprobleem heeft?
“Nee…”
U bent het niet eens met de critici van Balkenende die hem gebrek aan leiderschap verwijten?
“Nee, er wordt behoorlijk leiding gegeven aan dit land. Dit is het naoorlogse kabinet dat de meeste hervormingen heeft doorgevoerd. We hebben de bijstandswet drastisch hervormd, het zorgstelsel, de wao in stappen met het sluitstuk dit jaar. Een
hele serie ingrijpende maatregelen.”
Pijnlijke maatregelen, die schreeuwen om een sterke leider die het verkoopt.
“Je hebt hele sterke leiders in de geschiedenis gehad. Napoleon, Hitler, Stalin, Mao. Ik heb daar niet zo’n behoefte aan.”
Maar in deze tijd is het voor politici niet onbelangrijk hoe ze overkomen op televisie. Daarin doet Balkenende het toch niet echt goed.
“Het gaat wel erg veel over zijn uiterlijk en zijn motoriek. Dat lijkt me niet prettig voor hem. Maar de populariteit van politici kan ook snel wisselen in de tijd. In Paars I en II stond ik altijd na Kok bovenaan op de populariteitslijstjes. Maar plotseling had diezelfde aantrekkelijke persoonlijkheid in de ogen van veel mensen een complete karakterwijziging ondergaan. In plaats van fris, vrolijk en technocratisch was ik opeens sluw, en een mes-in-de-rug-steker.”
Uw eigen partij heeft zeker een leiderschapsprobleem. Van Aartsen vraagt Wiegel om premier te worden als de partij de grootste wordt, terwijl hij zelf lijsttrekker is. Wie moet het doen?
“Ik vind dat de lijsttrekker de eerst aangewezene is, als je de grootste zou worden, om minister-president te worden.”
Dus Van Aartsen moet dat doen?
“Dat vind ik voor de hand liggend, als hij lijsttrekker wordt en de VVD de grootste partij.”
En Rita Verdonk?
“Ik denk niet dat zij lijsttrekker wordt.”
Ze is wel populairder dan Van Aartsen.
“Laten we niet het hele lijstje gaan afwerken.”
Ons lijstje bleef beperkt tot Verdonk.
“Ja, die doet het heel goed in de ogen van veel mensen. En ook in mijn ogen. Er zijn ook veel mensen die een bloedhekel aan haar hebben. Het is echt iemand als Joop den Uyl, ze heeft alleen aanhangers of tegenstanders. Ze zou het waarschijnlijk wel kunnen hoor, maar er zijn meer mensen die het ambt van minister-president kunnen vervullen.”
Naschrift van de redactie:
Een dag na het aftreden van Van Aartsen meldt Mark Rutte zich als kandidaat-lijsttrekker. Zalm noemt Rutte ‘een goede kandidaat’ en dicht hem goede kansen toe. Zelf wil Zalm minister van Financiën en vice-premier blijven.
CV Gerrit Zalm
1975 doctoraal algemene economie
1975 medewerker ministerie van Financiën
1978 hoofd afdeling Begrotingsvoorbereiding en vanaf 1981 plaatsvervangend directeur Begrotingszaken
1983 plaatsvervangend directeur en vanaf 1985 directeur Algemene Economische Politiek, ministerie van Economische Zaken
1988 onderdirecteur en vanaf 1989 directeur Centraal Planbureau
1990 bijzonder hoogleraar economische politiek, Vrije Universiteit Amsterdam
1994 minister van Financiën in kabinet-Kok I en II
2002 lid Tweede Kamer en fractievoorzitter VVD
2003 minister van Financiën in kabinet-Balkenende II
Gerrit Zalm is getrouwd en heeft vijf kinderen



