Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Charles Handy: Leve de portfolio-werker

Vergeleken met het gros van zijn collega’s is Charles Handy een verademing. Zo’n brede blik als hij heeft bijna niemand. Hij vergeet nooit dat management een activiteit is die per definitie plaatsvindt binnen een bepaalde economische en maatschappelijke context. En – niet het minste voordeel – hij kan nog schrijven ook. Daardoor hebben zijn ideeën over de veranderingen in de aard van ons werk een enorme impact gehad.

De mens

 

Doordat zijn boeken zo lekker toegankelijk zijn  geschreven en doordat hij met zoveel gemak op radio en televisie optreedt, zou je haast vergeten dat Handy van origine een echte wetenschapper is. Geboren in 1932 en afgestudeerd in Oxford, zette hij de eerste stappen van zijn loopbaan bij Shell. Als personeelschef en als marketeer, twee rollen die als een rode draad door zijn verdere carrière zouden blijven lopen. Hij keerde echter al gauw terug naar de academische wereld, eerst de Sloan School of Management en daarna de London Business School. In 1977 stapte hij over naar St George's House, een studiecentrum op het gebied van ondernemerschap en ethiek. Grote bekendheid kreeg Handy door zijn gesproken columns die jarenlang iedere dag werden uitgezonden op BBC4.
Handy is al bijna 40 jaar getrouwd met de fotograaf Elizabeth Handy. Ze wonen afwisselend in de stad (London natuurlijk) en op het platteland van Norfolk.

 

De ideeën

 

Handy heeft altijd een grote belangstelling gehad voor organisaties, hun structuur en hun cultuur. In Gods of Management (1985) maakte hij een originele indeling in vier typen:
  1. De clubcultuur die ontstaat rond een sterke leider (gepersonifieerd door de Griekse god Zeus)
  2. De rollencultuur waarin mensen strak afgebakende functies toebedeeld krijgen (als door Apollo, de god van de regelneven)
  3. De taakcultuur waar ad hoc gevormde werkgroepen problemen aanpakken op het moment dat ze zich voordoen (geïnspireerd door de wijze Pallas Athene)
  4. En de existentiële cultuur die ontstaat als professionals op basis van gelijkwaardigheid samenwerken (opgehangen aan Dionysos, de god van wijntje en trijntje).
 
In The Age of Unreason (1989) ontwikkelde Handy de metafoor van de organisatie als klavertje drie:
  1. Het eerste blaadje is een vaste kern van techneuten en managers die voor de continuïteit zorgen.
  2. Het tweede blaadje is een losvaste groep van professionals die worden ingehuurd voor ondersteunende taken zoals IT en catering.
  3. Het derde blaadje bestaat uit een wisselend gezelschap van freelance specialisten die op projectbasis worden ingehuurd.

 

In zijn bekendste boek, The Empty Raincoat (1994), werkte Handy het idee van dat derde blaadje verder uit. Hij deed dat op zo'n aansprekende manier dat menigeen ervan overtuigd raakte dat de Freelance Economie  de toekomst had. Daarin zouden mensen bewust kiezen voor een bestaan als kleine zelfstandige. Enerzijds om de druk van het werken in grote organisaties te ontlopen en meer tijd voor zichzelf en hun omgeving te hebben, anderzijds om zelf de vruchten te plukken van hun specialistische kennis. Zo zouden zij zich ontwikkelen zich tot portfolio-werkers. Die bouwen een veelzijdig pakket aan kennis en ervaring op door zelf te kiezen aan wie zij zich hoe lang verhuren voor welke taak en tegen welk tarief.

 

De miskleun

 

Die freelance economie van Handy is er natuurlijk nooit gekomen. Het gros van de werknemers voelt zich nog steeds het prettigst in een vaste fulltime baan, en de meeste werkgevers weten ook niet beter of zij kunnen zich alleen daarmee van committment verzekeren. De fiscus en de sociale zekerheid tonen al evenmin veel begrip voor de sociale en economische functie van portfoliowerkers, laat staan voor hun rechtspositie en arbeidsvoorwaarden. Dat was dus niet zo handig van Handy.

 

De praktijk

 

Voor de praktijk van alledag hebben we het meest aan de Handy van The Age of Unreason. Hij laat zien dat elke groep van medewerkers in de klaverblaadjes-organisatie een andere aanpak vraagt.
De techneuten en de (midden-)managers zijn het gevoeligst voor hoge salarissen en bonussen. In ruil daarvoor geven ze hun ziel en zaligheid op, en maken ze zonder morren lange dagen.
De aannemers van het werk dat wordt geoutsourced krijgen geen vaste vergoeding of prestatiebeloning maar een vooraf overeengekomen fee, afhankelijk van de schaarste van hun deskundigheid.

De freelancers en andere portfoliowerkers mogen dan los-vast worden ingehuurd, het is niet slim om zo net zo los-vast te managen. Zakelijk is het verstandiger om hen serieus te nemen en erkenning te geven voor de waardevolle bijdrage die zij aan het resultaat van de organisatie leveren. Een ruimhartige beloning en respect voor hun intellectuele eigendomsrechten horen daar als vanzelfsprekend bij.

 

Dagelijks de nieuwsbrief van Management & Leiderschap ontvangen?



Door je in te schrijven ga je akkoord met de algemene en privacyvoorwaarden.

De boeken

 

  • Understanding Organisations (1976)
  • Gods of Management (1985)
  • The Age of Unreason (1989)
  • The Empty Raincoat (1994)
  • The Hungry Spirit (1997)
  • The New Alchemists (1999)