Winkelmand

Geen producten in je winkelmand.

Duurzaamheid: alles wat u wilde weten (maar niet durfde te vragen)

Je leest nu: Duurzaamheid: alles wat u wilde weten (maar niet durfde te vragen)

Duurzaamheid is tot de raden van bestuur doorgedrongen. Maar terwijl er veel mooie woorden vallen, is de verwarring over het begrip groot. Een mini-cursus duurzaamheid in 5 vragen.

Duurzaamheid, wat is dat eigenlijk?
‘Duurzaam’ betekent volgens de Dikke van Dale: ‘Geschikt/bestemd om lang te bestaan, bestendig.’ Ondanks het wijdverbreide misverstand dat het begrip te maken heeft met de milieuprestaties van een bedrijf, draait het bij duurzaamheid dus vooral om continuïteit. Een duurzaam bedrijf is een bedrijf dat blijft. Daarnaast zorgt een duurzaam bedrijf ervoor dat het een positieve impact heeft op de rest van de wereld en de toekomst van die wereld. En het laat zich daarop afrekenen. Wie praat over duurzaamheid, kan niet heen om de drie p’s: people, planet en profit. People staat voor de relatie van het bedrijf met zijn klanten, medewerkers, toeleveranciers, aandeelhouders, de overheid, allerhande belangengroeperingen, kortom de stakeholders. Planet staat voor de manier waarop het bedrijf omgaat met het milieu en de vraag hoe het de planeet achterlaat voor volgende generaties. Profit ten slotte staat voor de vraag of er ook nog winst wordt gemaakt. Geld verdienen mag dus, nee moet. Alleen denkt een bedrijf dat duurzaam wenst te opereren daarbij niet alleen aan z’n aandeelhouders, maar ook aan andere belanghebbenden. Eigenlijk komt het erop neer dat je je zaakjes voor elkaar moet hebben. Wie bakken met geld verdient terwijl hij tonnen gif het milieu in slingert, of kinderen voor zich laat werken tegen een hongerloon, loopt een groeiend risico op een consumentenboycot en kan vervolgens die winst op zijn buik schrijven.

Waarom is er zo veel over te doen?
In 1992 werd een grote milieuconferentie in Rio de Janeiro gehouden. Daar werd voor het eerst een platform gecreëerd waarop vijftig businessleiders van over de hele wereld praatten over de rol die het bedrijfsleven zou kunnen spelen in het aanpakken van de milieuproblematiek. Uit dat platform kwam The World Business Council for Sustainable Development voort, waarin tegenwoordig zo’n 180 multinationals zijn vertegenwoordigd. Intussen kwamen bedrijven gedurende de jaren negentig onder steeds grotere druk van belangengroeperingen te staan. Het incident tussen Shell en Greenpeace over de Brent Spar in 1995 gaf aan dat het menens was; de consumentenboycot die erop volgde, kostte Shell honderden miljoenen. In 1999 werd de Dow Jones Sustainability Index opgezet. Een beleggingsindex waarin alleen de duurzaamste tien procent van de beursgenoteerde bedrijven werd opgenomen. Over het belang ervan lopen de meningen uiteen. Zij die geloven in de zachte hand, vinden het een mijlpaal. Zij die slechts geloven in het bij wet afdwingen van sociale en milieumaatregelen, zien het meer als een instrument voor bedrijven om hun reputatie op te poetsen. Hoe het ook zij, de index is een succes en krijgt in 2001 een zuster aan de London Stock Exchange: de FTSE4GOOD-index. Het aantal beleggingsfondsen dat zichzelf duurzaam, groen of ethisch noemt, stijgt exponentieel. Met de integriteit van bedrijven blijkt het intussen droevig gesteld. De ondergang van Enron in 2001 luidt een periode van corporate schandalen in die zijn weerga niet kent. Overheden in zowel Amerika als Europa reageren met nieuwe wetgeving die de verslaggeving transparanter moet maken en de aansprakelijkheid van bestuurders groter. In Nederland resulteert dat proces in de code-Tabaksblat, die in één keer het complete Nederlandse bedrijfsleven een duw in de duurzame richting geeft.

Wat hebben we aan die verslagen?
Op Buhrmann, Getro-nics, Hagemeyer, SBM Offshore, Vedior en VNU – dat in 2006 komt – na publiceren alle bedrijven in de AEX-index tegenwoordig een duurzaamheidsverslag. In 1998 verschijnt Shell er als eerste Nederlandse multinational mee. Het is het eerste verslag waarin milieu-, sociale en veiligheidsaspecten zijn samengevoegd.
Het systeem van duurzaamheidsjaarverslagen werkt pas als ze controleerbaar en onderling vergelijkbaar zijn. Er is begin deze eeuw gestart met internationale standaardisering, met het Global Reporting Initiative (GRI), waarmee bedrijven hun prestaties in de verschillende categorieën van duurzaamheid kunnen rapporteren (bijvoorbeeld de emissie van CO2, het aantal bedrijfsongevallen, de winst). De GRI-richtlijnen worden door steeds meer bedrijven gebruikt. Toch moet de vraag worden gesteld hoe betrouwbaar al die prachtige verslagen zijn. Net als het financieel jaarverslag kan het duurzaamheidsverslag worden gecontroleerd door een externe accountant, die steekproefsgewijs de informatie controleert. Waar duurzaamheidsrapporten echter in uitblinken, zijn vage beloftes en claims die niet worden waargemaakt. Zo noemt ABN Amro zichzelf vorig jaar in een overigens prima rapport ‘leider in duurzaamheid’, terwijl in de cijfers te lezen is dat er op milieugebied weinig tot niets is gepresteerd. En bij Aegon ontbreken concrete doelstellingen waarop het bedrijf voor zijn duurzaamheidsbeleid af kan worden gerekend, compleet. Zo schiet het natuurlijk niet op. Wat dan wel werkt? Harde doelstellingen formuleren en inzicht verschaffen in de vraag hoe ze al of niet gehaald zijn. Helaas, lichtende voorbeelden zijn zeldzaam. Verhalen over corporate communications-afdelingen die haastig op zoek moeten naar kopij voor het aankomende duurzaamheidsrapport, doen de ronde.

Doe de BV Nederland het goed?
Doen we het goed? Op het eerste gezicht wel. Het aantal Nederlandse ondernemingen in de DJSI-index groeit gestaag en Philips en DSM mogen zich volgens DJSI wereldwijd sustainabilty leader in hun sector noemen. Unilever gooit al jaren hoge ogen, TNT scoort punten met zijn werk voor het World Food Programme, ABN Amro, ING en Rabo doen het in hun sector goed en Heineken slaat ook bepaald geen modderfiguur. Volgens onderzoek van DSR scoort het Nederlandse bedrijfsleven Europees gezien een duurzame derde plaats na Engeland en de Scandinavische landen.
Overigens heeft de Nederlandse overheid met haar Milieubeleidsplannen sinds de jaren tachtig heel wat concrete resultaten bereikt: de uitstoot van CO2 stabiliseert en in de olieraffinage is de uitstoot van zwaveldioxide met negentig procent gedaald. Begin jaren zeventig hadden we zo’n vijftig smogdagen per jaar; die zijn er niet meer. De waterkwaliteit is met sprongen verbeterd en tachtig procent van ons afval wordt gerecycled. We betalen er ook voor: zo’n drie procent van het nationaal product, twee keer zo veel als in de meeste andere landen. En ons bedrijfsleven heeft daar natuurlijk een groot aandeel in gehad. Eigenlijk zijn er nog maar twee grootschalige milieuproblemen in Nederland over: de voortgaande CO2-reductie (de Kyoto-doelstellingen voor 2012 zullen met pijn en moeite gehaald kunnen worden) en het fijnstof (roetfilters op elke diesel en het openbaar vervoer op gas). Goed nieuws is dat de duurzaamheidsgedachte de laatste jaren definitief tot de boardroom is doorgedrongen. Drie Nederlandse ceo’s – Peter Bakker van TPG, Peter Elverding van DSM en Rijkman Groenink van ABN Amro – hebben zelfs een deel van hun variabele beloning afhankelijk gemaakt van de duurzame prestaties van hun bedrijf.

Hoe nu verder?
Aan goede ontwikkelingen geen gebrek. In de VS is momenteel – ondanks de weigering van de regering-Bush om het Kyoto-protocol te ondertekenen – een enorme groene inhaalslag aan de gang en ook China – eveneens weigeraar – laat steeds meer een (hoognodig) milieubewust gezicht zien. In Nederland investeert Shell een miljard in alternatieve energie, de grote banken zijn actief in microfinanciering in de Derde Wereld en Rabo-topman Heemskerk kondigde de oprichting aan van een miljardenfonds voor de ontwikkeling van schone, duurzame brandstoffen. Maar ondertussen stapelen internationaal gezien de donderwolken zich op. De Kyoto-doelstellingen (vijf procent minder uitstoot van broeikasgassen per 2012) worden misschien gehaald, maar in wetenschappelijke kring heeft men het over een druppel op een gloeiende plaat. Veel radicalere maatregelen zijn nodig om de temperatuur de komende eeuw niet verder op te laten lopen dan een graad of twee (wat voor een flink aantal ecosystemen al het einde betekent en voor Nederland een gigantische toename van de kans op overstroming). Van bedrijven die de aanspraak maken duurzaam te opereren, mag dus geëist worden dat ze harde, radicale doelstellingen formuleren met betrekking tot hun uitstoot en energieverbruik. En dat ze inzicht geven in hoe ze die doelstellingen denken te gaan halen. Er zijn er die dat doen, maar er zijn er veel meer die dat nog niet doen.
Een belangrijke vraag daarbij is: hoe krijg je het tot de directiekamers doorgedrongen besef dat duurzaamheid belangrijk is, tussen de oren van je werknemers? Een voorbeeld van een bedrijf dat daar hard mee bezig is, is General Electric dat zijn Ecomagination-programma afgelopen zomer met veel lawaai uitrolde.
Ecomagination staat voor de ontwikkeling en verkoop van schone technologie zoals waterzuiveringsinstallaties, zonnepanelen, milieuvriendelijke vormen van transport en noem maar op. In 2004 maakte het bedrijf een omzet van tien miljard dollar uit schone technologie; in 2010 moet dat minimaal verdubbeld zijn.
Behalve een investeringsprogramma dat in 2010 op jaarbasis 1,5 miljard zal bedragen, zal GE daarvoor zijn medewerkers zover moeten krijgen het eco-woord te pas en te onpas bij hun klanten te laten vallen. Met de omarming door de GE-medewerkers van topman Jeffrey Immelts plannen staat of valt het programma. In een Amerikaans bedrijf als GE kunnen we ons zoiets nog wel voorstellen, maar zijn Nederlandse medewerkers net zo te enthousiasmeren? Het is een dilemma in menige bestuurkamer Er staat dus nog genoeg op de agenda. En op de vraag of het Nederlandse bedrijfsleven goed bezig is, mag het antwoord luiden: best wel. Maar of het ook genoeg is? Bij lange na niet.