Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Océ-topman moet 500 man ontslaan

Printerfabrikant Océ schrapt 500 banen. Vervelend maar noodzakelijk, zegt topman Rokus van Iperen. Want het mag na jaren van ploeteren weer goed gaan met de kopieermarkt, de winst groeit niet snel genoeg. “De continuïteit van de onderneming staat voorop.”

Eind 2005 wordt bekend dat printerfabrikant Océ in Europa 500 banen gaat schrappen, waarvan zeker 150 in Nederland. Niet veel op een personeelsbestand van 24.000, maar op het hoofdkantoor in Venlo komt de klap hard aan. In de ochtend van 4 november ging het persbericht eruit, terwijl de mensen die het betrof nog niet waren geïnformeerd. Sommigen zullen het nieuws in de krant hebben gelezen.
 
Krap een jaar later voelt bestuursvoorzitter Rokus van Iperen niet de drang om zich daarvoor te verontschuldigen. “In de krant stond dat er 500 banen gingen verdwijnen, maar er stonden geen 500 namen,” zegt hij zuinigjes. “Bovendien probeerden we in ieder land dat het aanging onmiddellijk duidelijkheid te verschaffen. Zodat iemand die deze afschuwelijke mededeling kreeg meteen wist waar hij aan toe was.”
 
De vakbonden en de ondernemingsraad waren vooraf wél op de hoogte gebracht van de plannen. Bedrijvenbond CNV voelde zich eerst ‘bedonderd’. Er was net overeenstemming bereikt met de directie over een nieuwe cao en nu dit. Ja, dat kon helaas niet anders, zegt Van Iperen. “Bij ons waren het verschillende afdelingen die ermee bezig zijn. Een met de cao, en een ander met de bezuinigingsoperatie. Maar in gesprekken met de vakbonden zit je steeds met dezelfde bestuurders om de tafel. Dan is een dergelijke reactie van ‘had je me dat niet eerder kunnen vertellen’ natuurlijk logisch.”
 
Océ schrapt banen op onderzoek- en ontwikkelingsafdelingen en in ondersteunende diensten zoals administratie en logistiek. Van Iperen, die zelf sinds 1978 bij Océ werkt, heeft contact gezocht met een aantal ontslagen werknemers die hij persoonlijk kent. Dan praat hij met ze over hoe het zo gekomen is. Het zijn soms emotionele momenten. “Emotioneel, maar hanteerbaar,” zegt hij erbij. Voor de rest laat hij de uitvoering over aan het betrokken management. Zijn e-mailbox staat voor iedereen open, maar op een zeepkist staat hij zelden. “Als ik al op een zeepkist sta, dan is dat voor het verzamelde management. Want drieduizend man hier op de parkeerplaats bij elkaar roepen, werkt ook niet efficiënt.”
 
Het saneringsplan kreeg de optimistische titel ‘winstherstelprogramma’ mee. Want Océ is met 2,6 miljard omzet dan wel een van de grote spelers op de wereldwijde markt voor printers, de winstgroei kan een stuk beter. Van Iperen speelt dit spel op drie fronten.

Assemblagegigant
De productiekosten moeten omlaag, door slimmer in te kopen en het bestaande werk efficiënter te organiseren. Tegelijkertijd moet ook de omzet fors omhoog en – niet geheel onbelangrijk – moet Océ een technologische voorsprong nemen op de concurrentie. “De combinatie van die drie maatregelen moet leiden tot groei van de onderneming,” legt Van Iperen uit. “Zowel in omzet als in groei.”
 
Het verdwijnen van 500 banen is maar een onderdeel van een breder, strategisch kostenprogramma. Océ verplaatst in toenemende mate productiebanen naar lagelonenlanden. Voorheen werden vrijwel alle print- en kopieerapparaten in Venlo geassembleerd: breedformaatprinters, die onder meer bouwtekeningen van architecten uitdraaien. Eind 2006 moet ongeveer 50 procent van het productievolume zijn overgeheveld naar landen als Tsjechië, Maleisië, Singapore en China. In Singapore bijvoorbeeld, heeft Océ sinds 2005 een overeenkomst lopen met Flextronics, een assemblagegigant die ook voor Xerox en Ricoh printers in elkaar zet. En misschien nog wel belangrijker: de onderdelen van de machines worden in die landen ingekocht, en niet langer bij relatief dure, Nederland-se leveranciers.
 
Het is deze combinatie die Océ een kostenreductie van 30 tot 40 procent gaat opleveren, een voordeel dat aan de klant kan worden doorgegeven in de vorm van lagere prijzen. En het einde is nog niet in zicht. In 2008 moet 80 procent van het productiewerk uit Nederland zijn vertrokken.
 
Dat werpt de vraag op wat er dan uiteindelijk aan werkgelegenheid in Venlo achterblijft. Want als 80 procent binnen drie jaar de grens over kan, waarom dan geen 100 procent na vijf jaar? Kwestie van de lijn doortrekken. Van Iperen neemt elke twijfel weg. “De eindassemblage van complexe machines,” zegt hij, “die blijft hier. Dan heb ik het over op bestelling geconfigureerde machines die rechtstreeks naar de klant worden gestuurd. Voor die machines móet je de productieafdeling in de directe nabijheid van je onderzoeksafdeling neerzetten. Anders gaat het mis.” Bovendien blijft de productie van toner (de inkt) en de fotogeleider, de twee chemische componenten van printmachines, ook in Venlo. Van Iperen: “In beide gevallen gaat het om opgebouwde kennis en expertise die zich maar gedeeltelijk laten beschrijven in recepten of productievoorschriften. Die verplaats je niet zomaar naar een ander land.”
 
Eén voorbeeld wil hij wel noemen. “Als het najaar wordt, en de koeien in de wei lijken te zweven op die mooie laaghangende mistwolken, dan lopen bij ons in de fabriek de e’tjes en de a’tjes van gedrukte tekst dicht. Blossoming heet dat en het heeft onder meer te maken met de luchtvochtigheid. Op r&d weten ze hoe dat komt. Die gaan dan naar de productieafdeling, die verstellen wat aan de machines en het is opgelost. Kan de fabriek weer verder. Het is bijna alchemie, maar het is wel kennis die in de koppen van mensen zit.”

Witte jassen
De tweede pijler onder Van Iperens strategie – het uitbreiden van Océ’s verkoopkracht – kreeg vorig jaar vorm met de overname van het Amerikaanse Imagistics. Geen naam die Nederlandse lezers uit de stoel zal doen opveren van herkenning, maar in de printwereld een belangrijke partij. Imagistics distribueert en verhuurt printers en kopieermachines van vooral Konica Minolta en Toshiba, en heeft een volledige geografische dekking in de VS. In één klap kreeg Océ er een hoogwaardige verkooporganisatie bij met ruim duizend ervaren vertegenwoordigers (zelf had Océ er honderdvijftig) en een serviceorganisatie met vijftienhonderd technici. Beide ondernemingen zijn inmiddels ondergebracht in de nieuwe divisie Océ Imagistics. De integratie staat onder leiding van directielid Jan Dix, die voorlopig zijn handen vol heeft aan het samenvoegen van de twee ict-systemen.
 
De acquisitie heeft gevolgen voor de derde pijler. Océ geeft 7 procent van zijn omzet uit aan onderzoek en productontwikkeling, ruim 230 miljoen euro per jaar. Om concurrerend te blijven, moet het bedrijf wel een technologische voorsprong behouden. Het percentage van de omzet dat aan r&d wordt besteed blijft de komende jaren hetzelfde, alleen wordt de geldpot dankzij de expansie in de Amerikaanse markt een stuk groter.
 
De ruim achttienhonderd ‘witte jassen’ die Océ op de loonlijst heeft, rolden eerder dit jaar het nieuwste wapen in de strijd tegen Xerox uit het laboratorium: de Varioprint 6250. Een weinig aansprekende naam, maar het neusje van de zalm op het gebied van dubbelzijdig printen. Het apparaat staat te boek als ’s werelds snelste duplexprinter en spuugt per minuut 250 velletjes A4 uit. De technologie erachter heet Gemini en heeft ongeveer vijftienhonderd manjaren gekost. De directie van Océ is er trots op en dat mag de bezoeker aan het hoofdkantoor in Venlo weten ook. In de grote, met grijze natuursteen beklede lobby staat het kloeke apparaat (toch langer dan drie meter) prominent uitgestald op een podium van twee treetjes hoog. Wie door de voordeur binnenkomt, kan er niet omheen.

Dagelijks de nieuwsbrief van Management & Leiderschap ontvangen?



Door je in te schrijven ga je akkoord met de algemene en privacyvoorwaarden.

Bijna lyrisch
Van Iperen is er trots op. Sterker nog, hij weet precies hoe de techniek erachter in elkaar steekt, want hij heeft zelf een technische vooropleiding. “Ik kon vroeger mijn brommer in het donker uit elkaar halen,” lacht hij. “Daarom ben ik ook techniek gaan studeren in Eindhoven.” Om de daad bij het woord te voegen, schetst hij op een A4’tje hoe de Gemini-techniek werkt. Het resultaat: 125 dubbelzijdig bedrukte velletjes per miuut. Als je weet dat concurrent Xerox maximaal 90 velletjes per minuut dubbelzijdig kan bedrukken, dan is de rekensom snel gemaakt. De VP 6250 levert een productiviteitsvoorsprong op van 70 procent. Van Iperen wordt er bijna lyrisch van. “Er zit knowhow in van fysici en chemici, die is met geen pen te beschrijven.”
 
Dat het vijf jaar duurt om een VP 6250 te bedenken en productieklaar te maken, ziet hij niet als een nadeel. De kans dat een concurrent ermee aan de haal gaat (denk aan de vete tussen Beertender en Perfect Draft) is klein. “Printfabrikanten steken veel geld in hun eigen variant van een aloude techniek, het fotografisch kopiëren. En je gaat verder op de ingeslagen weg. Overstappen naar de technologie van je concurrent kost heel veel geld en tijd, en bovendien is die techniek altijd afgeschermd met patenten.”
 
Hoewel de productie in rap tempo de grens overvliegt, veegt Van Iperen de suggestie dat Océ uiteindelijk geen productiebedrijf meer zal zijn, maar een bedrijf dat technologieën bedenkt, resoluut van tafel. Océ is gebouwd op twee pijlers, legt hij uit. Een verkoop- en servicekanaal, en een ontwikkelpoot. De één kan niet succesvol zijn zonder de ander. “Die zijn tot elkaar veroordeeld.” Een ding weet hij zeker: er zal altijd worden geprint en gekopieerd. De komst van e-mail heeft in tegenstelling tot wat velen dachten geen papierloze wereld ingeluid, integendeel. “Dankzij internet krijgen u en ik veel meer informatie op ons af dan vroeger. Maar om die informatie te gebruiken, draai je het uit. En dus zijn we meer gaan printen. Maar als je klaar bent met het document gooi je het weg. Want je hebt die e-mail nog. De levensduur van papier is dus korter geworden, maar het wordt vaker gebruikt.”

Continuïteit
Hoewel Van Iperen dus een techneut in hart en nieren is gebleven en écht iets van zijn eigen product afweet, maakt hij zich geen illusies over de positie die hij inneemt sinds hij in 1999 aantrad als hoogste baas. “Ik ben meer een bestuurder dan een manager,” zegt hij. “En eigenlijk ben ik weer meer een ondernemer dan een bestuurder.”
 
Hij vergadert iedere maandag met de drie andere leden van de raad van bestuur. Maandrapporten komen ter sprake, maar ook productontwikkelingen en investeringsplannen. Strategisch denkwerk boeit hem het meest, maar hij zou zich nooit voorstaan op het feit dat hij de slimste is binnen Océ. “Integendeel. Want een hightech onderneming drijft op bottom-up processen. Die ontstaan in de research- en verkoopafdelingen en die komen samen in een plan op directieniveau.”
 
Erg leuk, zo’n open cultuur waar ideeën van de werkvloer ruim baan krijgen. Maar dat betekent niet dat innovatie bij Océ is georganiseerd op democratische principes. Want dat levert een vergadercultuur op, weet Van Iperen. “Die doorbreek je door niet een team, maar een individu rekenschap en verantwoording te geven. Niet een groep, maar een persoon voert een opdracht uit.”
 
Het zijn de ontwerpers en de productontwikkelaars waar Van Iperen later die dag mee op de foto gaat. Een trotse groep mensen – voornamelijk mannen – waarvan er velen hebben meegewerkt aan de totstandkoming van de VP 6250. Voor de 500 mensen wier baan dit jaar wordt opgeheven, is inmiddels een sociaal plan afgesproken met ondernemingsraad en bonden. Waar mogelijk wordt gezocht naar ander werk in de onderneming. “Het doet me echt wel wat,” zegt Van Iperen op serieuze toon. “Deze sanering gaat me niet in de koude kleren zitten. Maar weet u, lifetime employment bestaat allang niet meer. En dan heb ik het niet alleen over productiebanen, maar ook over verkoopbanen of management. Een onderneming moet altijd bezig zijn om zich aan te passen aan de omstandigheden waarin ze opereert. Mijn gedachten gaan zeker uit naar de mensen die zijn getroffen, maar de continuïteit van de onderneming staat voorop.”