Je komt al gauw arrogant over als je zegt dat je succes hebt of dat het je voor de wind gaat. Je kunt maar beter een beetje bescheiden zijn.
Doe maar gewoon dan doe je al gek genoeg is niet voor niets één van de bekendste Nederlandse gezegden. Wat wel mag, is vol bewondering over de successen van anderen praten, maar over die van jezelf hoor je te zwijgen.
Enthousiast mag je doen over de successen van Johan Cruijff of over de kampioenen van Roland Garros en Wimbledon. Vereenzelvigen mag je je met de helden van de Tour de France die als ware goden worden vereerd: Robbie McEwen, Stuart O’Grady en natuurlijk Lance Armstrong. We zitten aan de buis gekluisterd om ze de Alpe d’ Huez en de Col de la Madeleine op te zien zwoegen. Ik trap mee met Rasmussen, sprint mee met Petacchi en daal af met Hushovd. Die knapen kunnen echt wat.
Heroïek
Enkele jaren geleden zat het mij ook bijna een keertje mee. Mijn vrouw en ik kampeerden in de Provence. Op onze fiets met zeven versnellingen konden we de heuvels redelijk aan. Ons doel, of liever mijn doel, was de Mont Ventoux te beklimmen: de berg waar Tommie Simpson, één van mijn jeugdhelden, op 13 juli 1967 zijn jammerlijk einde vond. De Mont Ventoux, berg der bergen, berg vol tragiek maar ook vol heroïek. Die berg te beklimmen zou een persoonlijke overwinning betekenen. Op een zomerse augustus dag reden we in alle vroegte naar Bédoin, het dorp aan de voet van de Reus van de Provence. We parkeerden onze auto en ik haalde de fietsen van de fietsendrager.
Stug door
In opperbeste stemming begonnen we aan onze tocht. De eerste kilometers verliepen tamelijk voorspoedig. Daarna werd het lastiger. De hellingen werden steiler en wij raakten vermoeid. Het zweet gutste op een gegeven moment van onze lijven en we stopten een paar keer om uit te rusten. Uit arrenmoede stapten we zelfs een paar keer helemaal af en liepen naast onze fietsen voort. Omdat we geen opgevers zijn, gingen we stug door. Eenmaal boven de boomgrens gekomen, waaide er een frisse wind die enige verkoeling gaf. Na een paar scherpe bochten zagen we de top voor ons opdoemen. Met dat beeld in het hoofd trapte ik verbeten door, en ook mijn vrouw gaf niet op, alhoewel lopen op een gegeven moment sneller ging dan fietsen. Zelfs in eerste versnelling kreeg ik de pedalen nauwelijks rond.
Pffff
Toch kwam de top nader en nader. Daar zag ik het monument al dat ter herinnering aan de dodenrit van Tommie Simpson was opgericht. Maar toen, op slechts vijftien meter voor het standbeeld klonk er ineens een luid pffffft. Tegelijkertijd voelde ik dat ik op de velg verder fietste. We stapten af. De achterband bleek het begeven te hebben, zo plat al een dubbeltje. In het zicht van de haven was het schip gestrand. Met de fietsen in de hand liepen we naar het monument van Tommie Simpson. Een voorbij komende wielrenner zette ons op de foto. Daarna zette ik in een koude wind de fiets op de kop en plakte de band. Omdat we vermoeid en verkleumd waren, snakten we beiden naar warmte en wilden het liefst zo snel mogelijk weer naar beneden. Met een licht gevoel van teleurstelling, omdat we de top net niet bereikt hadden, besloten we terug te gaan. Met een gang van zevenenvijftig kilometer per uur suisden we naar beneden. In Bedoin zette ik de fietsen weer op de fietsendrager en reden stilzwijgend naar de camping terug. ’s Avonds, toen we al met al toch terug konden kijken op een enerverende dag, trakteerden we ons op een lekker glas Côtes du Ventoux.
Henk Sieben



