Laatst werd me gevraagd wat ik zou gaan doen als ik een paar miljoen in een loterij zou winnen. Ik zei dat ik onmiddellijk zou stoppen met werken.
Ik zou natuurlijk nog wel wat blijven schrijven. En ik zou ook nog wel wat op interim-basis blijven managen. En ik zou me laten inhuren als personal coach. En ik zou zaaltjes gaan toespreken. En ik zou…
De waarheid is: ik ben werkverslaafd. Ook als ik niet meer zou hoeven te werken om de hypotheek te betalen, zou ik blijven werken. Misschien wat minder, maar waarschijnlijk niet.
Mensen zoals ik, die zich nog wel eens moeten verdedigen, hebben een aardig arsenaaltje clichés voorhanden om de kritiek op hun levenswijze te pareren. De basis is altijd: ik vind wat ik doe léuk, dus het ís helemaal geen werk.
Bullshit natuurlijk. Het is wel degelijk werk. En dat kun je, zodra het meer dan gemiddeld impact heeft op bijvoorbeeld een gezin, bekritiseren. Het is namelijk inderdaad in eerste instantie een egoïstische keuze toe te geven aan de werkverslaving, want anderen hebben er last van.
Als anderen dan dat gezin kritiek hebben op werkverslaafden, gaan mijn spreekwoordelijke nekharen echter wel overeind. Het zijn nooit de mensen die mede dankzij hun werk gelukkig zijn, die werkverslaafden de maat nemen. Het zijn de klagende 9-to-5-klerken, de zure koffieautomaatzeurpieten en de baantjesbezettende langlunchers die de werkverslaafden hun leven vol geluk misgunnen.
Deze stumpers vergeten echter één ding: bij de afrekening aan de hemelpoort noteren zij op hun baten- en lastenformulier veel minder leuke en veel meer vervelende uren werk dan wij. Amen!



