Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Eindelijk Ambtenaar

Geen lease-auto of bonus, wel een parttime werkweek en maatschappelijke betrokkenheid. De tijdgeest maakt van de non-profit een aantrekkelijke werkgever. “Ik wil dat mensen zeggen: jij doet hele goeie dingen.”

Zijn pakken kan hij voortaan in de kast laten hangen. En een stropdas hoeft hij al helemaal niet meer om. Alleen voor een belangrijke afspraak wil hij nog wel eens een colbertje aantrekken. Dat is hij zo gewend vanuit zijn vorige baan als ict-manager bij Pecoma Informatica. “Ik wil me niet te zeer onderscheiden,” zegt de 43-jarige Ron de Bakker. “Niet dat ze hier nu allemaal in korte broek lopen. Maar ik heb liever niet dat ze denken: daar heb je die man van buiten.”De Bakker maakte twee maanden geleden de overstap naar jeugdzorginstelling De Rading in Utrecht waar hij manager bedrijfs-bureau is en verantwoordelijk voor alle niet-primaire processen zoals financiën, personeelszaken en automatisering. Na twintig jaar hield hij het bedrijfsleven voor gezien om zich meer 'maatschappelijk' te gaan bezighouden. “Ik wilde het gevoel hebben nuttig bezig te zijn. Dat mensen zouden zeggen: jij doet hele goeie dingen.” Bij zijn voormalige werkgever werd De Bakker eind vorig jaar slachtoffer van een reorganisatie. De budgetten werden fors teruggeschroefd en voor een manager van zijn kaliber was geen plaats meer. Bij de jeugdzorginstelling waren ze dringend op zoek naar iemand die gewend was te werken onder druk van de markt. “De directie wil de organisatie professionaliseren,” zegt De Bakker. “Ze kan mensen met een zakelijker instelling goed gebruiken.”

Dat het er in zijn nieuwe baan minder commercieel aan toe gaat, vindt hij een verademing. “De druk van de markt is gewoon veel minder groot. De organisatie is niet verkoopgericht. Dat voelt heel prettig.” Wel is de cultuur even wennen.
De meeste medewerkers bij De Rading hebben een deeltijdbaan. “Toen ik hier kwam, heb ik allereerst een lijst opgesteld met wie op welke dagen werkt. Vervolgens moest ik nog een extra lijst maken met uitzonderingen: tot halfvier, tot vier uur, vanaf tien uur. Anders valt er geen afspraak te plannen.” Toch is de overstap naar de non-profit hem alleszins meegevallen. “Op mijn eerste werkdag stond er een bloemetje klaar, mijn pc was gereed en er lag zelfs een heel inwerkprogramma op me te wachten.
Dat heb ik in het bedrijfsleven nog niet meegemaakt.” Zelf noemt hij de stap een persoonlijke verrijking, want in financiële zin heeft die hem weinig opgeleverd. Integendeel. Zijn lease-auto moest hij inleveren, evenals zijn mobiele telefoon en zijn bonus. Alleen een laptop kan hij bij de nieuwe organisatie nog tegemoet zien
“Per saldo ben ik er op achteruitgegaan. Ook in termen van carrière had ik waarschijnlijk beter in het bedrijfsleven kunnen blijven. Het heeft te maken met ambitie. Ik hoef niet zo nodig steeds maar hogerop.”

Hardnekkig
De Bakker is niet de enige die de overstap an bedrijfsleven naar non-profit maakt. Volgens cijfers van het ministerie van Binnenlandse Zaken stapten in 1999 vijfduizend mensen over naar de niet-commerciële sector, in 2001 waren dat er al vier keer zoveel, namelijk twintigduizend. De grootste banengroei zit op dit moment dan ook bij de overheid. Waar het bedrijfsleven de ene na de andere ontslagronde laat zien, heeft de overheid juist mensen nodig. Uit de Trendnota Arbeidszaken Overheid blijkt dat de werkgelegenheid in de marktsector in 2001 met 1,7 procent groeide, bij de overheid is dat ruim 2 procent meer, namelijk 3,9 procent. Bij gemeenten is het zelfs 5,9 procent. Ook voor komend jaar ligt een groei in het verschiet. Het Cultureel Planbureau spreekt van een toename van de werkgelegenheid dit jaar van een kwart procent. Het helpt ook dat de vooroordelen over werken in de non-profit minder hardnekkig zijn dan enkele jaren geleden. Het imago van stoffig en ouderwets heeft de sector aardig van zich af weten te schudden, blijkt onder andere uit het imago-onderzoek MT500 dat de ministeries en de goede-doelenorganisaties hoger op de lijst van favoriete werkgevers plaatst. Dat is ook hetgeen Michel de Lassacquère, algemeen directeur van werving- en selectiebureau United Capacity, in zijn praktijk signaleert. “De non-profit is op zoek naar vernieuwing, ook om de vergrijzing tegen te gaan. Wij merken dat de mensen uit het bedrijfsleven gewild zijn.

Vooral de vraag naar marketeers is groot. Een discipline die niet echt ontwikkeld is in deze sector.” Zijn indruk is dat vooral twintigers en dertigers zich meer openstellen voor de non-profit. De verklaring hiervoor vindt hij in het toekennen van meer waarde aan persoonlijke ontwikkeling. “Mensen kijken op dit moment heel erg naar zichzelf. Ze willen werken bij een organisatie waar ze zich kunnen ontwikkelen, waar op-leiding hoog op de agenda staat. En in het bedrijfsleven is daar nu even geen geld voor. Zeker voor jonge mensen liggen er kansen bij de overheid met het oog op de grote uitstroom van ouderen over een jaar of zes.” Een andere verklaring zoekt
De Lassacquère in de grotere aandacht voor de balans tussen werk en privé. Voor twintigers en dertigers is werk niet meer alleenzaligmakend, maar een onderdeel van hun leven. “Ze willen zorgen voor de kinderen, tijd voor vrienden en eisen tijd voor zichzelf. Ze letten nu eerder op de softere aspecten van hun baan dan salaris, lease-auto en bonussen. En dan ben je beter af in de non-profit.” Maureen Vermeulen (35) werkt sinds januari als communicatieadviseur bij de gemeente Vlaardingen. Daarvoor had ze een vergelijkbare functie bij telecombedrijf Ericsson. Bij de gemeente heerst een deeltijdcultuur en dat komt haar nu wel goed uit. “Voor mijn idee werkt iedereen hier parttime. Dat is wel even anders dan in het bedrijfsleven.” Vermeulen heeft een contract voor 24 uur. Zo kan ze werk en zorg voor haar zoontje van vijftien maanden combineren zonder het gevoel te hebben '40 uur in drie dagen te proppen'.

Overwerken
Vermeulen werd slachtoffer van een reorganisatie bij Ericsson en was bovendien zwanger. Na haar zwangerschapsverlof ging ze eens diep nadenken over wat ze echt wilde. Juist op dat moment liepen in het bedrijfsleven de vacatures terug, terwijl er bij de overheid meer bij kwamen. “Mijn eerste reactie was: oh jee gemeente, dat zal wel stoffig zijn.” Maar na vijf maanden moet ze concluderen dat dat best meevalt. “Ik heb hier allemaal collega's die keihard werken. Ze gaan voor hun vak en hun functie.
Het enige wat me wel eens opvalt, is dat ze het snel druk hebben. Terwijl ik het dan wel vind meevallen.” Daarover had ze dan ook meteen in haar eerste week een akkefietje. Het betrof een discussie met iemand die geen zin had in overwerken. Vermeulen: “Het is in mijn ogen niet iets waar je een punt van maakt. Je werkt de ene keer wat meer en de andere keer wat minder. Het is geven en nemen. Maar dat was deze medewerker niet gewend.” Werken voor de overheid beschouwt Vermeulen als een uitdaging, waarmee ze doelt op de inhoudelijke verdieping van haar werk.

“In een overheidsorganisatie krijgt mijn functie een extra dimensie waar het gaat om het effect van communicatie op de politiek en andersom. In het bedrijfsleven bepaal jij wat er naar buiten wordt gebracht, bij de overheid heb je je aan de Wet Openbaarheid van Bestuur te houden. Ik zie nu heel direct wat het effect van mijn werk is op de samenleving.” Wel merkt ze dat haar manier van werken anders is dan die van haar collega's. “Zij vragen zich van tevoren minder af waarvoor en voor wie ze het doen. Het gaat meer in de trant van: vorig jaar deden we het op deze manier, dus waarom zouden we het nu anders doen?” Of Vermeulen altijd bij de overheid wil werken, weet ze niet. Ze kan zich voorstellen dat het ontbreken van de gezamenlijke drive voor een commercieel gewin aan haar gaat knagen. “De stress die dat mee zich meebrengt, is niet altijd prettig, maar tegelijkertijd stimuleert die ook. Gemeenten moeten tegenwoordig efficiënter werken maar het is niet te vergelijken met de snelheid van een commerciële onderneming. Als ik een fulltime baan zou hebben en geen kind, zou ik de druk denk ik wel missen.”

Ministerie
Je werkt in het bedrijfsleven óf in de non-profit, maar regelmatig switchen van de een naar de ander doe je niet. Merkwaardig, vindt Gijs van Soest (63), senior adviseur bij adviesbureau Mercuri Urval. Zelf maakte hij op zijn 59ste de overstap naar het bedrijfsleven. Daarvoor werkte hij altijd in het onderwijs en de politiek, onder andere als wethouder. “Ik had nooit gedacht dat ik geschikt zou zijn voor het bedrijfsleven.
Ik achtte me niet commercieel genoeg. Maar ik blijk nu wel eigenschappen te bezitten die me zeer capabel maken voor een commerciële omgeving. Ik ben bijvoorbeeld heel zakelijk.” Van Soest vindt dat er in Nederland te veel verticaal wordt doorgestroomd. Wie eenmaal in de non-profitsector werkt, blijft daar doorgaans en andersom. Stimulans om de overstap te maken, is er nauwelijks. Terwijl het bedrijfsleven veel van de overheid zou kunnen leren en de overheid van het bedrijfsleven, meent hij. “Het bedrijfsleven zou veel kunnen leren van de transparantie waar de overheid vanuit zijn publieke taak niet omheen kan. Tegelijkertijd staat die transparantie een professionalisering van de overheid in de weg, en daar zou het bedrijfsleven zijn bijdrage kunnen leveren.”

Het ministerie van Buitenlandse Zaken onderkent dit probleem. Het start binnenkort een uitwisselingsproject met het bedrijfsleven. Gedurende twee jaar wisselt een hoge ambtenaar op het ministerie met een hoge bestuurder bij een multinational. Dit in navolging van geslaagde projecten in het buitenland, waaronder Engeland. Het ministerie zal het strategisch denken van dichtbij ervaren, de multinational het diplomatiek handelen, legt plaatsvervangend secretaris-generaal Karel de Beer van
het ministerie uit. “Doel is dat beide culturen dichter bij elkaar komen en profiteren van ieders expertise.”

Allergisch
John Dijns (54) maakte de overstap ruim na zijn vijftigste. Hij werkte zeventien jaar bij Philips en daarvoor dertien jaar bij Fokker. Vier maanden geleden begon hij in Leiden bij DZB Werkvoorzieningschap, een non-profitorganisatie die mensen begeleidt naar de arbeidsmarkt. Dijns is manager interne productie. Met gemengde gevoelens nam hij afscheid van het bedrijfsleven. Hij vreesde voor een ambtelijke werkomgeving met weinig vrijheid. “Ik ben nogal allergisch voor bureaucratie.”
De situatie dwong hem echter breed om zich heen te kijken. “Ik zat al een half jaar in de WW en wilde heel graag weer aan de slag. Maar er zijn niet veel commerciële bedrijven die een productiemanager van 53 jaar in dienst nemen. Mijn kansen waren gewoon groter in de non-profit.” Bij DZB is hij een van de weinigen met een achtergrond in het bedrijfsleven. Dat is een belangrijke reden dat hij hier aan de slag kon. Met zijn kennis en ervaring van organisatie en leidinggeven moet Dijns een toegevoegde waarde leveren. Het verschil in cultuur ervaart hij heel duidelijk. “In het bedrijfsleven zet de directie de lijnen uit. Hier werk je binnen de kaders van de wetgeving. Dat is soms lastig. In elk geval minder efficiënt.” Dat echter niet meer alleen de winst telt, vindt hij een grote opluchting.

“De overmatige eisen die vooral de laatste jaren werden gesteld aan omzet en winst gingen me behoorlijk tegenstaan. Hoewel ik vind dat elke organisatie zich financieel bewust moet zijn. Maar je kunt er ook in doorslaan.” Het geeft hem een goed gevoel dat hij nu de sociaal zwakkeren in de samenleving kan steunen. “Ik help mensen die anders geen kansen hebben.” Op zijn nieuwe werkplek valt het hem wel op dat de mobiliteit van de medewerkers minder groot is. “Mensen zitten lang op één plek of op een plek waar ze naartoe zijn overgeplaatst maar eigenlijk niet passen. Ambtenaren ontslaan is lastig. De negatieve effecten daarvan zijn zichtbaar te merken in de organisatie.” De overstap naar de non-profit betekende dat Dijns er in financiële zin fors op moest toeleggen. “Ik ben er 20 tot 25 procent in salaris op achteruitgegaan.

Bij Philips had ik een dertiende maand, een winstuitkering, en we waren net begonnen met een bonusregeling. Dat kennen ze in de non-profit niet.” Zelfs op zijn pensioen-leeftijd moest hij inleveren. Bij Philips wachtte op zijn zestigste het pensioen, bij DZB zal hij vier jaar langer moeten doorwerken. Maar Dijns is tevreden. “Toen ik tegen mijn baas zei dat ik vier maal negen uur wilde werken zei hij: 'Als je dan maar de vrijdag vrij neemt'. Bij Philips hadden ze gezegd: 'Zoek maar een andere baan'.”

Dagelijks de nieuwsbrief van Management & Leiderschap ontvangen?



Door je in te schrijven ga je akkoord met de algemene en privacyvoorwaarden.