Winkelmand

Geen producten in de winkelwagen.

Black is beautiful, nu ook bij wet

Positieve discriminatie is in Nederland een vies woord, maar in Zuid-Afrika officieel beleid. Ook Nederlandse bedrijven moeten voldoen aan wetgeving die zwarten bevoordeelt. De eisen drukken zwaar op de bedrijfsvoering. “Ik moet blanke sollicitanten afwijzen vanwege hun huidskleur.”

Dagelijks de nieuwsbrief van Management & Leiderschap ontvangen?



Door je in te schrijven ga je akkoord met de algemene en privacyvoorwaarden.

Zwarte economische bemachtiging heet het. Of in het Engels: Broad Based Black Economic Empowerment (BBBEE). Eind vorig jaar maakte het Zuid-Afrikaanse ministerie voor handel en industrie nieuwe richtlijnen bekend voor het bedrijfsleven, die ertoe moeten bijdragen dat het zwarte bevolkingsdeel kansen krijgt om een maatschappelijke sprong voorwaarts te maken. Van voorheen achtergesteld naar een meer gelijkwaardige positie op de arbeidsmarkt.
Ook Nederlandse bedrijven die actief zijn in Zuid-Afrika, dienen zich te houden aan deze wetgeving. En dat valt soms niet mee. De eisen van zwarte economische bemachtiging zwaar drukken zwaar op zijn bedrijf, verzucht Martijn Kuipers, directeur van het in Johannesburg gevestigde transportbedrijf Mammoet, een dochteronderneming van de Nederlandse onderneming. Hij loopt over de werf, waar wordt gesleuteld aan een 450 tons rupskraan. Het gevaarte is net terug van een karwei en bijna gereed voor de volgende klus, dit keer in Kaapstad. Kuipers’ bedrijf is in Zuid-Afrika vooral actief in de petrochemie en in de bouw. Dat levert veel overheidsopdrachten op. “Dan ben je gewoon verplicht om de wet toe te passen,” legt Kuipers uit. “Als je niet voldoet aan black economic empowerment-criteria kun je die overheidsopdrachten wel vergeten.”
De vereisten waaraan bedrijven moeten voldoen zijn door het ministerie van handel en industrie uitgewerkt in zogenaamde ‘balans scorekaarten’. Die vermelden de zeven pilaren waar de uitwerking van zwarte economische bemachtiging op rust. De eerste pijler betreft het aandeelhouderschap van de onderneming. Verder moet het bedrijf aangeven wat het doet aan management control. Onder de noemer ‘employment equity’ moet precies worden aangegeven hoe het personeelsbestand is opgebouwd. Op al die onderdelen kan een werkgever punten verzamelen.
Die jacht op punten vindt Aart Jansen, directeur van Callforce, een bedrijf in Johannesburg dat werknemers detacheert bij callcenters, een ‘enorme administratieve last’. Toch is hij blij met de nieuwe scorekaarten. “Tot zeg maar een jaar geleden was mede-eigenaarschap in een Zuid-Afrikaans bedrijf het enige meetpunt voor de overheid om je wel of niet aan te merken als een BEE-bedrijf. Wij verloren een jaar of vier geleden onze grootste klant, een toonaangevende mobiele telefoonaanbieder, omdat die van de ene op de andere dag van ons eiste dat 60 procent van onze aandeelhouders zwart was. Aan die eis konden wij destijds met geen mogelijkheid voldoen.” Daarom is hij het systeem van de scorekaarten. De tijd van extreme eisen is voorbij. Jansen: “Het is verschrikkelijk veel werk om die kaarten in te vullen, maar het eisenpakket is nu veel breder. Niet alles hangt meer af van het zwarte eigenaarschap alleen.”

Onvervalst zwart
Jansen slaat de ordner open waarin de scorekaarten zijn opgeborgen. Hij wijst naar pastelkleurige schema’s. “De vierde pilaar is een heel belangrijke,” zegt hij erbij. “Dat is de pilaar van de zogeheten ‘skills development’. Welke vaardigheden breng je werknemers bij, wat voor trainingsprogramma’s maken deel uit van je bedrijfsvoering? Daar kun je heel veel punten mee verdienen.” Hetzelfde geldt voor de vijfde steunpilaar; die van ‘preferential procurement’. Het komt erop neer dat je moet aantonen van wie je inkoopt. Jansen is al enkele jaren druk in de weer om geschikte zwarte bedrijven te vinden die diensten en producten kunnen leveren.
Ook op de laatste twee pilaren, die van bedrijfsontwikkeling en sociale investeringen, kan flink worden gescoord. Callforce laat zich van de sociale kant zien met een voedselprogramma voor een lagere school, een aids-opvangtehuis en een zangkoor in Pretoria. Uiteraard allemaal zwarte initiatieven. Zwart gaat bij deze regelgeving voor alles, concludeert Jansen. Kleurlingen en Indiërs zijn tegenwoordig aan te merken als ‘voorheen benadeelden van het tweede garnituur’. Jansen loopt tegen situaties aan waarin zijn klanten hem alleen een opdracht gunnen als hij tien Indiërs en achtentwintig zwarten kan leveren. Met enige aarzeling wil Janssen wel toegeven dat de regelgeving berust op het adagium ‘blank is uit en zwart is in’. “Ik moet je bekennen,” zegt hij, “dat wij heel vaak uitstekende blanke sollicitanten krijgen die ik af moet wijzen vanwege hun huidskleur.”
Kuipers van Mammoet beaamt de nieuwe uitzonderingspositie van zwarten ten opzicht van andere bevolkingsgroepen. “Je ziet dat de overheid binnen de verzamelgroep ‘zwart’ nader onderscheid is gaan maken. Er wordt nu gesteld dat bijvoorbeeld Indiërs vroeger minder achtergesteld waren dan de echte zwarten. Het gevaar is nu dat die bevolkingsgroepen die eerst nog werden gezien als voorheen benadeeld nu dus ook weer achtergesteld gaan worden. Want bedrijven kunnen ervoor gaan kiezen om allereerst te mikken op de onvervalste zwarte Afrikanen, met als gevolg dat kleurlingen en Indiërs de kans lopen om opnieuw buitengesloten te worden.”
“Ik kan het je nog sterker vertellen”, zegt Harrie Linders, directeur van Endemol Zuid-Afrika. “Als wij een sollicitatieronde hebben, nodigen wij voor sommige posities geen blanken meer uit. Wij gaan alleen voor gekleurden en zwarten met de juiste kwaliteiten. Op die manier proberen het probleem maar links te laten liggen.” Linders staat op de set van Isdingo, de in Zuid-Afrika razend populaire soap van Endemol. Hij verklaart het succes van het programma met het hoge realiteitsgehalte van de verhaallijn. Er is binnen de soapformule van Isidingo (haat, nijd en relaties) ruimte voor thema’s als HIV-aids en criminaliteit. Om die levensechtheid nog iets extra’s mee te geven wordt in principe elke week in een van de afleveringen een actualiteit meegenomen. “Ik denk,” zegt hij, “dat Isidingo een heel goede afspiegeling geeft van de dagelijkse Zuid-Afrikaanse werkelijkheid.”
Linders moet lachen om de vraag wanneer het fenomeen van zwarte economische bemachtiging in Isidingo als thema gaat ‘meelopen’. “Ik ben het met je eens dat het nog steeds een zeer populair onderwerp is in de dagelijkse berichtgeving in Zuid-Afrika. Maar omdat Isidingo wordt uitgezonden door de staatszender SABC3 zie ik dat thema nog niet zo gemakkelijk een rol gaan spelen in de Isidingo-verhaallijn.” SABC3, zo legt Linders uit, zal absoluut niet kritisch berichten over zwarte economische bevoorrechting; laat staan dat de schrijvers van Isidingo-afleveringen de vrije hand zouden krijgen voor een eigenzinnige behandeling van dit maatschappelijke gegeven. In de praktijk van zijn werk als directeur van Endemol Zuid-Afrika wordt Linders naar eigen zeggen bijna dagelijks geconfronteerd met de consequenties van de zwarte economische bevoorrechting. “Endemol verliest opdrachten, gewoon omdat wij niet zwart genoeg zijn. Wij hebben niet voldoende zwarte aandeelhouders.” Daarbij moet worden gezegd dat Endemol SA onderdeel is van een groot beursgenoteerd bedrijf, waardoor het ook wel heel moeilijk is om invloed uit te oefenen op de samenstelling van de aandeelhouders. In de jacht op de punten valt dit tekortschieten wel te compenseren. Linders: “Wij moeten het zogezegd hebben van meer zwarte mensen in onze productieteams. Maar daarbij ligt dan het gevaar van kwaliteitsverlies op de loer wat voor Endemol echt onacceptabel is.” Weer een ander effect van de jacht op zwart talent zijn de gestegen loonkosten. “Iedereen in mijn sector jaagt natuurlijk op hetzelfde schaarse goede zwarte talent. Daardoor zijn die medewerkers duurder dan blanke colllega’s.”

De moeilijke weg
Marco Faber buigt zich diep voorover in de stalen ketel waar een Zuid-Afrikaans Bavaria-biertje aan zijn wordingsgang begint. “Hier start het dus mee,” legt hij uit. “Met het filteren van dit brinta-papje. De vloeistof zakt door zijn eigen filterbed heen en dan wordt het erg zoet. Ruik je het al een beetje, of niet?” In 2003 kocht de familie Swinkels, eigenaar van Bavaria in Lieshout, de gelijknamige brouwerij Bavaria Brau in Zuid-Afrika. Het was de eerste buitenlandse overname van het Nederlandse bedrijf. Faber is nu directeur van de brouwerij in Midrand, halverwege Johannesburg en Pretoria. En ook Bavaria Zuid-Afrika doet aan ‘black economic empowerment’, zonder zich overigens iets gelegen te laten liggen aan de eerste pilaar van de wetgeving, het aantrekken van zwarte aandeelhouders. “Doen we niet”, zegt Faber op stellige toon. “Onder geen beding. De familie Swinkels wil controle houden over haar eigendommen; niet alleen over de brouwerij maar ook over de receptuur en de merknaam Bavaria.”
Daarom kan er volgens Faber geen sprake van zijn om die te delen met lokale zwarte investeerders. En net zoals Aart Jansen is Faber daarom wel te spreken over de aanzienlijk verruimde wetgeving voor zwarte economische bevoorrechting die het schoorvoetende dan wel puur onwillige ‘voordeurdelers’ als Bavaria mogelijk maakt om de andere pilaren aan te tikken voor de broodnodige punten. Faber: “Wij zijn gedwongen een wat moeilijker weg te behandelen om als zwart economisch bemachtigd bedrijf te kwalificeren. Daar gaan wij heel ver in. Wij zorgen voor bedrijfstraining voor onze medewerkers. En dan zijn daar nog onze leveranciers van verpakkingsmaterialen en grondstoffen. Daarvan houden wij heel precies bij of die ook echt met zwarte lokale mensen werken. Dat gaat zelfs zo ver dat wij van onze potloden, pennen en andere kantoorartikelen nagaan of die ook echt van erkende zwart economisch bemachtigde bedrijven afkomstig zijn.” En ja, Bavaria Zuid-Afrika sleept ook met goede doelen de nodige punten in de wacht. Faber: “Wij ondersteunen een school, een zwarte school. Wij hebben op die school wat investeringen gedaan met de aanschaf van meubilair, zodat de leerlingen nu in plaats van staand, voortaan zittend les krijgen. Zo beleven wij als Bavaria, dus als familiebedrijf, het zwarte economische bemachtigingsverhaal. Geen overdracht van eigendomsrechten maar wel betrokkenheid bij de lokale gemeenschap.”
Op de set van Isidingo geeft Harrie Linders toe dat Nederlandse ondernemers nogal blijmoedig en opgewekt een in essentie racistische wetgeving nauwgezet in de praktijk brengen. “Maar”, voegt hij er aan toe, “veel keus hebben wij niet. In mijn geval is de staatszender SABC3 onze grootste klant. Daar moet je dan wel mee in de pas blijven lopen. Zo niet, dan betekent dat gewoon minder omzet.”

Kunnen schreeuwen
Aan de poort van het Zuid-Afrikaanse staalbedrijf Mittal in Vanderbijlpark, zo’n 75 kilometer ten zuiden van Johannesburg, word ik opgewacht door Koos-Jan van Brouwershaven, Hij is directeur van de Zuid-Afrikaanse vestiging van het Amerikaanse bedrijf Multiserv. Op de immense bedrijfsterreinen van Mittal, uitgestrekter dan die van Corus in IJmuiden, doet Multiserv aan reststofverwerking bij staalfabrieken. Uit het afval dat vrijkomt tijdens het staalproces worden door Multiserv waardevolle materialen geëxtraheerd voor verder gebruik door de staalfabriek of voor levering aan andere afnemers zoals wegenbouwers.
Het verkrijgen van toegang tot het bedrijfsterrein van Mittal en Multiserv heeft wel iets weg van belet vragen bij Fort Knox. “Het is nog een erfenis uit de apartheidstijd,” vertelt Van Brouwershaven, terwijl een forse blanke Afrikaner bij de receptie een studie maakt van de door mij verstrekte gegevens, om vervolgens een bezoekerspasje af te geven. “Toen zijn er beveiligingen aangebracht omdat men als de dood was dat de toegepaste technieken zouden worden gekopieerd. Bovendien werden ook maatregelen nodig geacht met het oog op een mogelijke staatsgreep.”
De staalsector is een industrie van groot. Van Brouwershaven wijst naar buitenaards aandoende voertuigen, die in reusachtige ronde schotels vloeibaar staal n aar stortplaatsen rijden. De staalsector is bovendien een bedrijfstak waar zwarte economische bemachtiging een zware klus genoemd kan worden. Van Brouwershaven is de laatste om dat tegen te spreken. “Dit is echt nog een traditioneel bedrijf uit de oude economie van Zuid-Afrika,” licht hij toe. “Op de werkvloer zijn de mensen zwart en de managers en voormannen zijn blank. In de apartheidsdagen werd je hier in een industrie als de onze, als je een beetje groot en zwaar was met een typisch Zuid-Afrikaans uiterlijk: kortgeknipt haar en goed kunnen schreeuwen, nou dan was je snel een goeie manager. Aan dat imago proberen wij nu te ontkomen.”
Dat gaat niet gemakkelijk. Van Brouwershaven stuit op veel angst en achterdocht bij de blanke werknemers. “Die denken voortdurend dat ik aan het kijken ben hoe ik ze zo snel mogelijk kan ontslaan om plaats te maken voor voor nieuwe zwarte kandidaten.” Overigens ziet Van Brouwershaven in de zeven pilaren van de zwarte bemachtiging ook positieve aanknopingspunten om op termijn, en dan denkt hij aan toch nog vier à vijf jaar, wezenlijke vorderingen te maken in een kwalitatieve verandering van de bedrijfsvoering. De bureaucratische rompslomp die daarmee gepaard gaat, neemt hij op de koop toe. Die benadering heeft tegelijkertijd negatieve effecten op de oorspronkelijke doelen van zwarte economische bemachtiging. Van Brouwershaven geeft als voorbeeld de noodzaak om van zwarte economische bemachtigde en erkende leveranciers goederen en diensten af te nemen. Bij grondig onderzoek blijken nogal wat bedrijven op papier aan alle eisen te voldoen, terwijl iedereen weet dat er in de praktijk helemaal niks van klopt. Fronting heet dat, net doen alsof. Van Brouwershaven: “Juist omdat Zuid-Afrikanen die sterke neiging hebben om allerlei zaken zeer bureaucratisch te benaderen, zou dat op wat langere termijn ook wel eens buitenlandse investeerders kunnen gaan afschrikken.”

TK
Met dat laatste is Harrie Linders van Endemol het roerend eens. Er is volgens hem nu al sprake van een bijna ondoordringbaar woud van statistieken dat ‘zwart bemachtigende’ bedrijven periodiek moeten inleveren. “Je kunt je afvragen wat de waarde is van de presentaties. Iedereen weet dat statistieken lang niet altijd de werkelijkheid weergeven. Misschien wordt het tijd om een stap terug te doen en te kijken naar de verworvenheden van die zwarte economische bemachtiging tot dusver.” Volgens Linders blijkt dan dat Zuid-Afrika zich sinds 1994 heeft ontwikkeld van een productiemaatschappij tot een consumptiemaatschappij. De laatste tien jaar is de binnenlandse productie gehalveerd van 32 procent naar 16 procent van het totaal. En dat zou wel eens kunnen worden toegeschreven aan het beleid van de zwarte economische bemachtiging. Die heeft een zwarte elite en ook een zwarte middenklasse opgeleverd die steeds meer zijn gaan consumeren en veel minder produceren. Met de gevolgen daarvan, stijgende import- en dalende exportcijfers, valt niet te ontkomen aan de conclusie dat zwarte economische bemachtiging een verarmend effect heeft gesorteerd. In ieder geval voor het nog steeds zeer grote deel van de zwarte bevolking. Linders: “Je kunt je dus afvragen wat nou de voordelen zijn geweest van black economic empowerment, waar tot dusver alleen de zwarte middenklasse en de zwarte elite van heeft kunnen profiteren. Ik denk dat de uitvoering van het economische voorkeursbeleid heel moeilijk is uit te leggen aan de miljoenen mensen in Zuid-Afrika die nog steeds geen stromend water en geen werk hebben.”