Tot een jaar of drie geleden stond hij bijna dagelijks tussen de melkkoeien in het Groningse Niekerk. Nu komt hij daar vooral nog in het weekend, zegt Alex Datema. Hij verving z’n overall voor een overhemd in zijn rol als directeur food & agri bij Rabobank Nederland. In die rol is hij sinds 2023 verantwoordelijk voor het beleid dat Rabo’s investeringen in voedsel en landbouw bepaalt.
Die stap is minder gek dan je zou denken. Ook als boer dacht Datema actief mee over de toekomst van de landbouw. Vanaf 2009 was hij voorzitter van de Groningse tak van BoerenNatuur, een vereniging van agrarische collectieven die zich inzetten voor natuurinclusieve landbouw. Zeven jaar later werd hij voorzitter van het landelijk bestuur. Ook is Datema lid van de wetenschappelijke raad voor integrale duurzame landbouw en voeding.
Toen Rabobank met hem in gesprek wilde, was hij in eerste instantie bang dat dat vooral voor de bühne was. Maar al snel zag hij: de bank wil echt verduurzamen.
Dat is belangrijk, want Rabobank is een belangrijke schakel in de voedseltransitie. De bank heeft veruit de grootste portefeuille in food & agri in Nederland. Wereldwijd omvat haar leningenportefeuille in de sector ruim 117 miljard euro: 26 procent van de totale leningenportefeuille van de ‘boerenleenbank’. In Nederland gaat het om ruim 47 miljard euro.
Datema is niet direct betrokken bij beslissingen over financieringen, maar is wel verantwoordelijk voor de kaders die Rabobank stelt.
Je pleit namens Rabobank voor een duurzamer voedselsysteem. Hoe reageren andere boeren daarop?
‘Toen ik drie jaar geleden begon, kregen we nog best wat kritiek. Niet alleen op wat we te zeggen hadden over duurzaamheid, maar ook over de rol van Rabobank. De overheid vindt al iets, de maatschappij… Moet de bank dan óók nog iets vinden?
Nu wordt breder geaccepteerd dat duurzaamheid nou eenmaal structureel onderdeel moet zijn − of al is − van de bedrijfsvoering. Als je over vijf of tien jaar nog een succesvol bedrijf wilt hebben, moet je je aanpassen aan de veranderende omstandigheden. Een bedrijf dat achterloopt in de ontwikkelingen rondom duurzaamheid is voor de geldverstrekker dus een groter financieel risico. Dan is het logisch dat een financierder daar niet alleen vragen over stelt, maar er in de financiering ook rekening mee houdt.
Duurzaamheid is bij ons daarom onderdeel van de beoordeling van financieringsaanvragen. We kijken naar de potentie van een ondernemer, of diegene financieel in staat is de lening te dragen én waar een bedrijf staat qua duurzaamheid. Dat heeft invloed op bijvoorbeeld de hoogte van een lening en de rente.’
Dat zijn nogal andere uitspraken dan waar Rabobank jaren geleden om bekend stond. Uitbreidingen van de intensieve veehouderij werden grotendeels gefinancierd door Rabobank.
‘Rabobank is 125 jaar geleden opgericht door boeren zelf. We zijn groot in de land- en tuinbouw en zijn begaan met de toekomst ervan. De bank heeft heel veel jaren een stabiele koers gevaren, op een manier die toen nodig was en verwacht werd. Overheid en maatschappij vroegen boeren decennia om méér voedsel te produceren, tegen zo laag mogelijke kosten.
De tijden zijn aan het veranderen, de sector vraagt nu iets anders. Ik denk dat dat ook terecht is.’
Zijn jullie bang om als wispelturig te worden gezien?
‘Ik denk niet dat je kunt zeggen dat we wispelturig zijn. Wel dat we anders naar ontwikkelingen in de land- en tuinbouw kijken dan tien jaar geleden en ook ander beleid voeren. Het is nu zaak dat we daar ook weer jarenlang koers in varen.’
Rabobank zette zijn woorden in 2023 kracht bij door zogenoemde ‘transitieleningen‘ te introduceren voor boeren. Boeren die willen verduurzamen kunnen leningen krijgen met een lagere rente en aflossingsvrije perioden. De bank heeft daarvoor 3 miljard euro beschikbaar gesteld, waarvan nu 1 miljard euro is gebruikt. Datema verwacht dat het resterende bedrag tot 2030 ook zal worden verstrekt.
Daarbij heeft Rabobank een zogenoemde ‘mkb duurzaamheidsbijdrage’. Kleine en middelgrote bedrijven kunnen met die regeling een deel van hun duurzame investeringen terugvragen bij de bank. De afgelopen jaren heeft de bank ruim 40 miljoen euro aan zulke bijdragen uitgekeerd.
Duurzaamheid bij Rabobank
Rabobank rapporteert jaarlijks over zowel zijn eigen uitstoot als de gefinancierde uitstoot (ofwel: de directe uitstoot van broeikasgassen van klanten). Beide volgen een neerwaartse lijn. De gefinancierde uitstoot is bijvoorbeeld gedaald van 48,8 miljoen ton CO2-equivalent in 2022 naar 42 miljoen ton twee jaar later. Ongeveer de helft van die daling schrijft Rabobank toe aan ‘verbeterde datakwaliteit’.
De bank verwacht dat de gefinancierde uitstoot de komende jaren verder daalt, tot ongeveer 29 miljoen ton CO2-equivalent in 2030.
Desondanks scoort Rabobank in de meest recente Eerlijke Geldwijzer lager dan enkele jaren geleden: slechts een 5. Voor die score is gekeken naar Rabo’s beleid op het gebied van biodiversiteit, klimaatverandering en dierenwelzijn, maar ook naar onder meer gendergelijkheid en wapenbeleid.
Rabobank zegt zich niet te herkennen in die conclusie. Net als veel andere grootbanken werkt Rabobank al sinds 2018 niet meer mee aan de onderzoeken van de Eerlijke Geldwijzer ‘omdat de conclusies zelden recht doen aan de complexiteit van het probleem’.
Eerder dit jaar publiceerde Rabobank een vernieuwde agrofoodvisie.Daarin ligt de focus vooral op ‘true value’: de maatschappelijke waarde van een duurzaam voedselsysteem. Is true value vergelijkbaar met true pricing: de werkelijke kosten van producten betalen?
‘Deels. True pricing gaat vooral uit van een negatieve impact op bijvoorbeeld milieu en biodiversiteit die niet wordt doorberekend in de productprijs. Die kosten worden dan betaald door de maatschappij. Dat moet je inderdaad meenemen in je berekening van de kostprijs.
Maar er kan ook een positieve impact zijn. Denk aan landbouw die de biodiversiteit verbetert of gezondere producten levert. Of die nodig is voor bijvoorbeeld het landschapsbeheer. Ook die moet je financieel waarderen, bijvoorbeeld met directe beloningen of aantrekkelijkere voorwaarden voor financiering.
Dat is nodig, want verduurzamen is economisch gezien nu niet interessant genoeg. Er is een soort tweedeling tussen economie en beleid. De economie vraagt van boeren om zo goedkoop mogelijk voedsel te produceren, de politiek vraagt om ook het milieu niet te belasten. Het is op zich niet gek dat boeren zich in eerste instantie door het eerste laten leiden. Er moet geld verdiend worden zodat de volgende generatie het bedrijf kan overnemen.’
Zolang we met wetgeving sturen op duurzaamheid maar dat economisch niet aantrekkelijk is, is het vechten tegen de bierkaai.’
Datema weet uit eigen ervaring hoe het werkt. De stikstofuitstoot van zijn melkveehouderij − nu gerund door zijn compagnon − zou omlaag kunnen. Maar omdat maatregelen daarvoor meer geld kosten dan ze opleveren, gebeurt het niet. ‘Zolang de wet ons niet dwingt, blijven we toch eerst een beetje om ons heen kijken naar wat de rest doet.’
Daarom zijn er financiële prikkels nodig om te verduurzamen. Die kunnen onder meer vanuit de overheid komen, zegt Datema. ‘Op mijn melkveehouderij doen we bijvoorbeeld actief aan weidevogelbeheer, onder meer door een deel van het grasland minder intensief te gebruiken. Daarvoor krijgen we een financiële beloning van de overheid.’
Maar ook supermarkten, grote verwerkers en banken kunnen boeren stimuleren om toch te verduurzamen. ‘Met een hogere melkprijs, een lagere rente op leningen, et cetera.’
Daar hebben zij zelf ook belang bij, stelt Datema. Een duurzamer landbouwsysteem is immers nodig om ervoor te zorgen dat we de dingen die we nu produceren over vijf of tien jaar ook nog geproduceerd kunnen worden.
Datema: ‘Dat grote bedrijven zich tegenwoordig druk maken om duurzaamheid, komt niet door wetgeving of doordat consumenten het belangrijk vinden, maar doordat ze zich zorgen maken over de weerbaarheid van het systeem. Klimaatverandering is in de land- en tuinbouw al goed merkbaar, vooral in weersextremen. Daardoor ontstaan zorgen over de beschikbaarheid van bepaald voedsel op bepaalde momenten.’
Dat roept de vraag op welk type landbouw het meest weerbaar is. Tot de dominante bedrijfstypen in 2040 die Rabobank beschrijft behoort zowel natuurinclusieve landbouw als hoogproductieve landbouw. Hoe kunnen die naast elkaar bestaan?
‘Het is niet zo dat één type landbouw altijd het beste is. Dat heeft heel erg te maken met verschillende grondsoorten en omstandigheden.
In de Flevopolder is bijvoorbeeld relatief weinig natuur en een goede landbouwgrond. Daar kun je prima heel veel voedsel verbouwen. Maar de Veluwe, die daar niet eens ver vandaan ligt, heeft een veel armere grond en veel natuur. Daar kun je niet eenzelfde soort landbouw nastreven als in Flevoland. Die afweging moet dus per gebied gemaakt worden.’
Hoe maak je zo’n afweging?
‘Daarvoor moet duidelijk worden hoe we landbouw en voedsel waarderen. Als je puur naar CO2 en stikstof kijkt, scoort intensieve landbouw misschien best goed. Maar als je landschappen en biodiversiteit ook meeneemt als waarden, dan krijg je een andere uitkomst.
Rabobank nam daarom het initiatief tot ketenafspraken over hoe de waarde van voedsel en landbouw wordt bepaald. We zitten met meer dan 25 partijen aan tafel − van boer en supermarkt tot overheid − om tot een standaard ‘duurzaamheidstaal’ te komen. Een true value language.
Als je het goed doet op het gebied van duurzaamheid, dan zou je een economisch voordeel moeten hebben. Maar om dat te kunnen beoordelen, moet de hele keten wel op dezelfde manier naar duurzaamheid kijken. Als de overheid het over duurzaamheid heeft, moet ze hetzelfde bedoelen als wanneer FrieslandCampina of Albert Heijn het zegt.’
Dit artikel verscheen eerder op Change Inc., dat evenals MT/Sprout onderdeel is van MT Mediagroep.



