In de grote hal van het hoofdgebouw van de Vrije Universiteit Amsterdam neemt Sabine Rau-Oberhuber net afscheid van haar studerende zoon. Het interview is een mooi toeval, zoals ze zelf zegt.
Ze had het eerdere boek van Govert Buijs en Jan Peter Balkenende met kerst aan haar man cadeau gegeven. Tijdens ons gesprek weegt ze haar woorden rustig en bedachtzaam.
Sabine Rau-Oberhuber
Sabine Rau-Oberhuber (1971) is medeoprichter van Turntoo, een adviesbedrijf en denktank gericht op de ontwikkeling en toepassing van circulaire bedrijfsmodellen. In haar boek Material Matters (2016) pleit ze voor een economisch systeem waarin de consument niet langer ‘eigenaar’ maar ‘gebruiker’ is, waarin materialen rechten krijgen en afval verleden tijd is. Ook introduceerde ze samen met architect Thomas Rau het Madaster, dat bijdraagt aan circulair bouwen door vast te leggen welke materialen verwerkt zijn in onder andere gebouwen.
Na afloop twijfelt ze nog: was ze niet te veel ingegaan op de moeilijkheden? Wat ons betreft geeft haar verhaal juist een waardevol inkijkje in de afwegingen en regels die horen bij het werken aan een duurzamere economie. Rau-Oberhuber laat zien waarom echte verandering zo ingewikkeld is, maar ook dat er reden voor hoop is.
U bent opgegroeid in het Zwarte Woud in Duitsland. Wat was in uw jeugd vormend op het gebied van duurzaamheid?
‘Ik herinner me twee momenten die echt bepalend waren. Als kind zag ik in de jaren tachtig hoe de glooiende, groene bergen van het Zwarte Woud door de zure regen veranderden in een rafelig landschap vol zieke bomen. Ik weet nog dat ik schrok van wat wij als mensen kunnen aanrichten.
Het belang van duurzaamheid was direct zichtbaar, recht voor mijn ogen. Daarnaast was mijn moeder in de jaren zeventig een van de medeoprichters van de Groene Partij. We zaten thuis altijd aan de radio of tv gekluisterd, in de hoop dat de Groenen eindelijk een zetel zouden halen in de Bondsdag of het deelstaatparlement.
Zo kreeg ik mijn interesse in duurzaamheid eigenlijk al met de paplepel ingegoten. Net als het bewustzijn dat verandering van de status quo mogelijk is.’
Samen met uw man Thomas Rau richt u zich op een circulair bedrijfsmodel, ‘product-als-service’. Hoe is dat ontstaan en wat houdt het in?
‘Thomas heeft 33 jaar geleden zijn architectenbureau RAU opgericht vanuit de visie om duurzame architectuur te realiseren. Zelf werkte ik eerst bij een uitgeverij, maar ben later een tijd bij RAU gaan werken. Mijn vader is ook architect, dus die wereld was mij niet vreemd.
Rond 2007 kwam Cradle-to-Cradle sterk op, het idee dat producten zo ontworpen moeten worden dat onderdelen en materialen eindeloos hergebruikt of gerecycled kunnen worden. Dat sloot mooi aan bij waar wij al jaren mee bezig waren.
Zo hadden we net het hoofkantoor van het Wereld Natuur Fonds als eerste energieneutraal gebouw van Nederland opgeleverd. We wilden ons kantoor als Cradle-to-Cradle showcase inrichten. Maar we liepen al snel tegen iets aan: er bestond geen businessmodel om kringlopen daadwerkelijk te sluiten. Er was voor producenten geen enkele prikkel om verantwoordelijkheid te nemen voor de terugname en kwaliteit van circulaire producten.
Toen kwam de vraag: wat als de producent eigenaar blijft? Wij hoefden de lampen, stoelen en het tapijt in ons kantoor immers niet te bezitten; we wilden er alleen gebruik van maken.
Zo zijn we begonnen met het ontwikkelen van het product-als-servicemodel, ook wel PaaS-model. Samen met andere bedrijven kwamen we tot ‘licht-als-service’, ‘zitten-als-service’ en ‘vloeren-als-service’, waarbij ons eigen kantoor de proeftuin werd.
Bedrijven waarmee we samenwerkten, vroegen ons vervolgens om te helpen dit model verder te ontwikkelen. Om dat te kunnen doen zijn we partnerschappen aangegaan en hebben we in 2010 met hun steun ons adviesbureau Turntoo opgericht.’
Hoe werkt het product-als-service in de praktijk?
‘Neem verlichting als voorbeeld. In plaats van lampen te verkopen, levert Philips (nu Signify) bij ons de service ‘licht’. De verlichting wordt geïnstalleerd, maar blijft eigendom van Philips. Ook de maandelijkse energierekening is voor Philips. Gaat er een lamp stuk, dan zijn die kosten voor hen.
Philips koos er daarom voor om de meest energiezuinige en modulair opgebouwde ledlampen bij ons te installeren. Want hoe langer de lampen meegaan en hoe lager het energieverbruik, hoe meer Philips eraan verdient. Het resultaat: wij kregen lampen die we nooit hadden kunnen kopen én ons energieverbruik voor verlichting daalde met 40%.
Doordat de macht én de verantwoordelijkheid bij het bedrijf liggen, ontstaan er andere prikkels. Zo ontdekten we dat businessmodellen een belangrijke sleutel zijn voor verandering. Met deze ervaring helpen we organisaties op weg naar een circulaire bedrijfsvoering.
Een van de eerste projecten van Turntoo was voor een woningcorporatie in Amsterdam. Zij zagen dat huurders in de financiële problemen kwamen door een hoge energierekening. Wij regelden dat huurders voor minder dan een tientje per maand de service van een energiezuinige koelkast of wasmachine van Bosch konden afnemen.
Bosch bleef als eigenaar verantwoordelijk voor het apparaat. In dit geval bleven de energiekosten voor rekening van de huurder, maar die waren jaarlijks wel aanzienlijk lager. Zelf hadden ze nooit zulke energiezuinige apparatuur kunnen aanschaffen.
Helaas heeft Bosch het product-als-service model recentelijk stopgezet. Het runnen van een PaaS-model blijft uitdagend binnen de huidige financiële paradigma’s, met name in consumentenmarkten.
Toch zie ik ook steeds meer succesvolle voorbeelden. Zo kwam ik onlangs een Duitse fabrikant van watermeters tegen die, geconfronteerd met goedkope Chinese concurrentie, in 2007 begon hun meters terug te nemen.
Sindsdien zijn ze volledig circulair geworden: alle producten zijn herontworpen, worden gerefurbished en opnieuw ingezet, wat de kosten drastisch verlaagde. Door over te stappen op het product-als-service model blijven de meters eigendom van het bedrijf en komen ze na gebruik automatisch terug voor hergebruik.’
In uw boek zet u zich af tegen het lineaire model. Waarom?
‘Het huidige lineaire model draait om kopen, gebruiken en vernietigen. De macht ligt bij het bedrijf, de verantwoordelijkheid bij de consument. En doordat die verantwoordelijkheden zo verdeeld zijn, hebben bedrijven er economisch belang bij dat producten snel opraken, stukgaan of uit de mode raken.
Dit heet planned obsolescence, iets dat al vanaf 1924 grootschalig werd toegepast bij gloeilampen: fabrikanten spraken af dat lampen na 1000 uur stuk moesten gaan, omdat duurzaamheid hun omzet schaadde.
General Motors ontdekte in de jaren dertig dat een auto gewoon elk jaar net iets mooier moest worden zodat mensen hun oude model niet meer wilden. Hun innovatiedirecteur introduceerde de uitdrukking: ‘De sleutel tot economische voorspoed is het georganiseerd creëren van ontevredenheid.’
Dit soort strategieën zijn normaal geworden, maar ze leiden tot enorme verspilling van producten en grondstoffen. In het licht van de milieugevolgen en de toenemende schaarste aan grondstoffen kunnen we ons dit soort modellen niet langer veroorloven.’
Dit interview is één-op-één overgenomen uit Dromers, denkers, doeners. Gesprekken over de economie van morgen van Amsterdam University Press. Het boek is geschreven voor Govert Buijs, Ellen Klaver en Marcus van Toor. Zij hebben de interviews met deze bevlogen vernieuwers van de economie ook afgenomen.
U bent ook medeoprichter van het Madaster, een kadaster voor materialen. Hoe draagt dat bij aan een circulaire bouwsector?
‘De bouwsector gebruikt ongeveer 40% van alle materialen in onze economie. Om deze enorme materiaalvoorraad te beheren en hergebruik mogelijk te maken, moeten we inzicht krijgen in de materialen die in onze steden aanwezig zijn – de zogenaamde ‘urban mine’.
Madaster is, zoals de naam al zegt, opgericht als het kadaster voor materiaal. Madaster legt gebouwen en infrastructuur vast en geeft een gedetailleerd overzicht van alle materialen en producten die erin zitten, inclusief hun financiële restwaarde, de circulariteit en CO2-voetafdruk.
Dat maakt het interessant voor investeerders en eigenaren, ook omdat zij hierover moeten rapporteren in ESG-rapportages. Bij sloop van gebouwen biedt Madaster transparantie over welke materialen aanwezig zijn en hoe deze hergebruikt kunnen worden.’
Heeft u daar een concreet voorbeeld van?
‘In de Duitse stad Heidelberg hebben we alle gebouwen in kaart gebracht die van de gemeente zijn, inclusief een gebied waar vroeger het Amerikaanse leger zat. Die gebouwen waren verouderd en zouden deels gesloopt worden.
Door de materialen en hun waarde inzichtelijk te maken, meldden zich direct marktpartijen die kansen zagen om de materialen te hergebruiken. De waarde was hetzelfde, maar de kennis maakte duidelijk dat hier een businessmodel in zat.’
Is het hergebruiken van bouwmateriaal niet ontzettend energie-intensief?
‘Het kost zeker energie, maar nieuwe materialen produceren kost nog veel meer energie, naast de hogere milieu-impact. Het grootste probleem is dat demonteren veel handwerk vraagt, terwijl slopen meestal snel gebeurt met grof geweld.
Als de kogel erdoorheen is, hoef je alleen het gruis nog af te voeren. Om demonteren rendabel te maken, zouden we arbeid goedkoper en materiaalgebruik duurder moeten maken, bijvoorbeeld via belastingen, zoals de Stichting Ex’Tax Project al jaren bepleit.’
U helpt bedrijven circulair te worden. Roept dit ook weleens weerstand op?
‘Ja, verandering roept vaak weerstand op. Circulair werken vraagt dat niet alleen het bedrijf maar de hele keten meebeweegt. Afdelingen zoals inkoop en facilitymanagement moeten ineens samenwerken en afstemmen.
Er moeten afspraken worden gemaakt met externe partijen: hoe deel je de inkomsten? Wie voegt welke waarde toe? Ook gaat het over vertrouwen: durf je de benodigde informatie te geven aan anderen, zodat zij je product kunnen repareren?
Circulaire bedrijfsvoering vraagt om nieuwe vaardigheden en een andere mindset, en soms zelfs om andere mensen. Maar met de juiste mindset genereert het ook veel positieve energie.’
Naast menselijke factoren zijn er vast ook procesmatige obstakels. Welke ziet u?
‘De keten is complex. Je hebt een circulair product nodig dat vanaf het ontwerp repareerbaar en demontabel is, maar ook een keten die dat kan ondersteunen: van retourlogistiek tot partners die kunnen demonteren en helpen bij hergebruik in de productie.
Het kost tijd om zo’n keten goed te ontwikkelen. Veel bedrijven missen ook de kennis over materialen, data-analyse en retourlogistiek. Daarnaast zijn er financiële drempels: producten moeten vaak binnen zes jaar worden afgeschreven, dat is problematisch voor het als-servicemodel.
Juridisch is het ook lastig: wie zijn eigen producten wil terugnemen voor hergebruik, krijgt te maken met afvalwetgeving en moet zich als afvalverwerker registreren of met een afvalverwerker samenwerken.
De producenten moet dan óf zelf aan de criteria voor afvalverwerkers gaan voldoen óf er met allerlei stempels voor zorgen dat het product geen afvalstatus meer heeft. Zelfs als het om nieuwe, niet-functionerende producten gaat die de klant teruggeeft aan een transporteur. Dat maakt het bureaucratisch en ingewikkeld.’
De huidige economische stromen en het wetgevingssysteem zijn natuurlijk allemaal binnen dat lineaire model ontworpen. Maar dat dat zo ver gaat…
‘Dat komt enerzijds voort uit gegronde veiligheidsoverwegingen, maar er spelen ook belangen rondom de circulaire economie. In de beginfase is de term circulaire economie regelrecht gekaapt door de afvalindustrie. Die zag hier een verdienmodel in of juist een bedreiging voor het bestaande.
Bij de ontwikkeling van de eerste Europese richtlijnen voor de circulaire economie kwam er flinke druk vanuit de afvallobby. Vervolgens hebben veel mensen gestreden om het verschil tussen de circulaire economie en afvalrecycling helder te krijgen.
Circulaire economie gaat niet om afvalverwerking, maar over het daadwerkelijk herontwerpen van businessmodellen en productlevenscycli. Dat zie je nu ook terug in Europese wet- en regelgeving, bijvoorbeeld rondom het right to repair.’
Hoe ziet u de huidige maatschappelijke en politieke ontwikkelingen als het gaat om de transitie naar circulariteit?
‘Aan de ene kant zie je een groeiend bewustzijn bij consumenten en bedrijven over het belang van circulariteit. Steeds meer mensen accepteren niet langer dat ze een heel apparaat moeten weggooien vanwege een klein defect, zoals een los wieltje aan een rolkoffer of een gebroken handgreep van een magnetron.
Ook vintagekleding raakt steeds meer ingeburgerd. Dit groeiende bewustzijn zet bedrijven ertoe aan om na te denken over circulaire modellen.
Bovendien beginnen bedrijven en overheden de strategische relevantie van de circulaire economie steeds beter te begrijpen. In een tijd van toenemende grondstoffenschaarste, prijsvolatiliteit en kwetsbaarheid van toeleveringsketens kan circulariteit bedrijfsrisico’s aanzienlijk beperken.
Bovendien is het, zoals eerder genoemd, een manier om kosten te besparen, innovatie te stimuleren en nieuwe klantgroepen te bereiken. In mijn ogen is het omarmen van de circulaire economie in de wereld van vandaag een strategische noodzaak voor zowel bedrijven en landen.
Tegelijkertijd lopen veel bedrijven en overheden vast in verouderde systemen en regelgeving. Ik zou graag zien dat wetgeving bedrijven meer ruimte biedt om te experimenteren en innoveren, juist in de beginfase van de transitie naar circulariteit.
Initiatieven zoals de Europese Green Deal en de EU-taxonomie voor duurzame activiteiten zijn belangrijke stappen voorwaarts. Maar die zijn niet ontstaan dankzij de politiek; ze zijn ontstaan omdat er een maatschappelijke beweging op gang kwam. De huidige tijdgeest heeft dit mogelijk gemaakt. Politiek en wetgeving zijn in veel opzichten volgzaam.’
U werkt momenteel aan een model voor materiaal-als-service. Wat houdt dat in?
‘Het idee is dat het eigendom van materiaal in het land blijft waar het is gewonnen. Alleen het gebruiksrecht wordt verkocht, samen met de verplichting om het materiaal op een circulaire manier te gebruiken.
Zo ontstaat een terugkerende inkomstenstroom, waardoor grondstofrijke landen actief kunnen meeprofiteren van de waarde die wordt gecreëerd uit de grondstoffen op hun grondgebied. Ook zou dit toekomstige generaties ten goede komen; generaties die anders achterblijven met niets anders dan een gat in de grond.
In het begin leek dit een utopisch plan, maar inmiddels word ik hierover uitgenodigd op grote internationale fora. Met name Afrikaanse landen vinden het interessant, omdat het een manier kan zijn om de circulaire transitie te koppelen aan rechtvaardigheid.’
Zijn er ook potentiële nadelen verbonden aan een materiaal-als-service model?
‘Zoals bij elk transformatief idee hangt het succes af van governance. Onze visie is dat materialen beheerd worden via rentmeesterschapsmodellen en behandeld als commons, waarbij de inkomsten uit deze servicemodellen de hele bevolking ten goede komen via permanente dividendfondsen, vergelijkbaar met de sovereign wealth-modellen van Alaska of Noorwegen.
Mijn grootste zorg is dat circulaire servicemodellen in het algemeen, en materiaal-als-service in het bijzonder, kunnen verworden tot een neo-feodaal systeem. In dat scenario zou het eigendom van alles wat we gebruiken geconcentreerd raken in de handen van een paar grote wereldwijde corporaties.
Gecombineerd met Internet of Things-gestuurde producten, lopen we het risico een techno-feodale toekomst te creëren – één die de slogan van het WEF uit 2016 weerspiegelt: “Ik bezit niets, heb geen privacy”, maar zonder de laatste belofte: “en het leven is nog nooit beter geweest.”
Daarom moeten as-a-service modellen uiterst zorgvuldig worden ontworpen en mogen ze niet overal op worden toegepast.’
Ondanks alle uitdagingen klinkt u hoopvol over de transitie naar een circulaire economie. Wat geeft u die hoop?
‘Wat mij hoop geeft, is de enorme energie en innovatie die ik zie bij bedrijven en startups die zich met dit nieuwe paradigma bezighouden. Ik denk echt dat we voldoende momentum ontwikkelen om een kantelpunt te bereiken. Of de groeiende maatschappelijke weerstand deprimerend of juist hoopvol is, weet ik niet altijd. Maar het feit dat die weerstand groeit, is ook een teken dat iets serieus begint te worden.’



