Dinsdag 1 juli om 12 uur gaat op verschillende industriële plekken in Nederland het alarm af. Ook in het hele Rijnmondgebied zullen één minuut lang de sirenes loeien.
De situatie in het grootste industriële havencomplex van Europa wordt door experts namelijk omschreven als ‘the perfect storm‘. Hét moment waarop verschillende ontwikkelingen en gebeurtenissen bij elkaar komen met een negatieve impact.
Het regent al maanden berichten over bedrijven die uit het havengebied vertrekken. De recentste is de aankondiging van het Amerikaanse chemiebedrijf Westlake dat zijn fabrieken gaat sluiten in Pernis.
Het Finse UPM liet in mei weten te stoppen met de ontwikkeling van een grote biobrandstoffenfabriek die een capaciteit van 500.000 ton zou krijgen. Twee maanden daarvoor werd bekend dat LyondellBasell en Covestro hun fabriek voor chemische basismaterialen op de Maasvlakte dichtgooien.
Angst voor meer
Eveneens in maart kwam het Amerikaanse Tronox met de sluiting van zijn pigmentfabriek in de Botlek. PET-producent Indorama en raffinaderij Gunvor staat al wat langer op het lijstje van afhakers.
‘Wij waarschuwen al een jaar dat de fabrieken de poorten gaan sluiten en nieuwe investeringen zullen afketsen, dat zie je nu helaas allemaal gebeuren’, zegt Edwin van Scherrenburg, programmadirecteur van de Rotterdamse ondernemersvereniging Deltalinqs tegen MT/Sprout. ‘We zijn ook bang dat dit een voorbode is van meer.’
De chemiesector is al twee jaar aan het krimpen in het haven, geeft hij aan. ‘Daar maken wij ons wel zorgen over. Nu zit het nog een beetje aan de randen van allerlei clusters. Maar je wilt niet dat in het hart van allerlei clusters belangrijke bedrijven omvallen.’
Verkoop Shell Chemie?
Haveneconoom Bart Kuipers wijst naar enkele van die meer essentiële bedrijven: het Japanse Shin-Etsu en Nobian dat uit AkzoNobel is ontstaan. Dat zou pas dramatisch zijn voor Rotterdam, geeft hij aan. ‘Over de verkoop van Shell Chemie wordt ook al recent gediscussieerd. Maar wie gaat dat kopen?’
Maar deze aantallen vallen op een totaal van 3.500 bedrijven in de regio toch nog best mee? Onderschat deze ontwikkeling niet, waarschuwt hij. ‘In 2021 waren er nog veertig chemiebedrijven, nu zijn dat er dertig. Een kwart is weg, en dat is vrij veel.’
Is het aantal banen dat daardoor verloren gaat, een kleine 1.300, niet verwaarloosbaar op het totaal van 192.000 banen in het gebied? Ook dat beeld klopt niet, want één baan in de chemie levert tien andere banen op in de keten die erachter hangt, reageert Van Scherrenburg.
Creatieve vernietiging
Boris Schellekens, onderzoeker bij SOMO, verwacht dat die ontslagen werknemers zo weer aan de slag zullen zijn. ‘Dat zijn goed opgeleide mensen in het hart van de Randstad, waar het tekort aan personeel het allerhoogst is.’
Hij ziet het vertrek van die bedrijven anders, als een vorm van creatieve destructie. ‘Dat is de vergeten helft van duurzaamheid: het onwenselijke uitfaseren. Daar zijn we niet goed in. Dat zie je ook in de energietransitie. Zon en wind worden toegevoegd als extraatje boven op de olie en kolen die we gebruiken.’
Bij die creatieve vernietiging hoort dat de gevestigde orde in Rotterdam wordt geraakt. Van Scherrenburg wijst erop dat de producten die in het havengebied gemaakt worden overal inzitten en dagelijks worden gebruikt. Die industrie is niet alleen keihard nodig. ‘Die bedrijven produceren hier efficiënter dan waar dan ook.’
Lees ook: ‘Shell en Unilever zijn als de dinosauriërs, ze gaan uitsterven’
Afhankelijker worden
‘In zo’n cluster als Rotterdam leveren de bedrijven aan elkaar via buisleidingen’, vult Kuipers aan. ‘Daar is geen extra transport voor nodig, het is eerder een kwestie van de kranen opendraaien. Rotterdam is een van de best gereguleerde locaties in heel Europa. Op het gebied van milieu, verduurzaming en hinder.’
Van Scherrenburg: ‘Als je dat hier allemaal kapot laat gaan, dan neemt de vraag naar die producten niet af. Dat betekent dat we die spullen allemaal van elders gaan halen. Daardoor gaat de CO2-uitstoot per saldo omhoog. Als we niet opletten, zijn we straks voor alles afhankelijk van andere continenten en andere machtsblokken.’
De bedrijven die stoppen, hebben allemaal wel hun eigen redenen. Westlake heeft het over ‘een aanhoudende verslechtering van de zaken in Europa’. LyondellBasell haalt de ‘voortdurende druk op de winstgevendheid door de wereldwijde overcapaciteit, een sterke toename van de import uit Azië en de hoge kosten van de Europese productie’ aan.
Kosten rijzen de pan uit
Tronox geeft als reden op: ‘de aanhoudende wereldwijde onbalans in het aanbod veroorzaakt door de Chinese concurrentie en een steeds moeilijker wordende operationele omgeving in de afgelopen tweeënhalf jaar.’
De overeenkomst is dat deze strategische beslissingen worden genomen in buitenlandse hoofdkantoren op basis van cijfers en winstverwachtingen. Wat eveneens steeds terugkeert in de klaagzang is dat de kosten voor produceren in Europa te hoog worden.
Wat ze er heel beleefd niet bij zeggen, is dat die kosten in Nederland helemaal de pan uit rijzen. Dat doet Deltalinqs wel voor ze. ‘Europa loopt wereldwijd al uit de pas met hoge energiekosten, maar Nederland doet dan ook nog eens allemaal andere dingen dan de buurlanden’, zegt Van Scherrenburg. Het gebrek aan een gelijk speelveld is een van de grote pijnpunten.
Nederlandse nettarieven
Als voorbeeld daarvan is lange tijd de CO2-heffing aangehaald die boven op de Europese emissietarieven betaald moet worden. Die staat na veel lobbywerk in politiek Den Haag nu op de helling. Maar al is daar nu een motie over aangenomen, het blijft toch nog even afwachten wat hiervoor in de plaats zal komen.
Ook een doorn in het oog: het niet toepassen van Europese kortingsregelingen voor grootverbruikers van stroom. De buurlanden doen dat wel. Al even vervelend vinden de bedrijven het schrikbarend oplopen van de nettarieven in Nederland.
Voor één van de leden van Deltalinqs zijn die tarieven van enkele miljoenen per jaar naar 35 miljoen euro per jaar gegaan, geeft hij een voorbeeld. ‘De stroomprijzen zijn hier al tientallen procenten hoger dan in België en Duitsland. Dat knelt, maar dat schrikt ook nieuwe investeringen af in de industrie van de toekomst én in verduurzaming.’
Lees ook: Dit zijn de drie alternatieven voor de CO2-heffing
Elektrificatie is de duurzamere weg
Elektrificatie is ook in Rotterdam namelijk één van de belangrijkste routes om te verduurzamen, maar door netcongestie kunnen bedrijven dat niet. Daar komen nog de Nederlandse stikstofverlamming, de langdurige vergunningsprocessen en inconsistent beleid bij. Daar gruwen ze van in buitenlandse boardrooms.
Uit de recente brief van Havenbedrijf Rotterdam met input voor de verkiezingsprogramma’s blijkt dat hierdoor 7 miljard euro ‘aan lopende en afgeronde projecten wordt beïnvloed’. Ook bij nieuwe projecten, ter waarde van 11 miljard euro, krijgen ‘bedrijven te maken met onzekerheden die investeringen vertragen of doen uitstellen’.
Van Scherrenburg (ironisch): ‘Ondertussen mogen ze wel extra betalen ten opzichte van de rest van Europa. Dat zit als een graat in de keel van veel industriebedrijven in de haven.’
Globale verschuivingen
Alleen naar Nederlandse beleidsmakers wijzen, is begrijpelijk, maar er is meer aan de hand. En nee, dat gaat niet alleen over de importheffingen van Donald Trump, de overcapaciteit en prijsdumpingen van China en de oorlogen in Oekraïne en het Midden-Oosten.
Rotterdam heeft in de jaren zestig en zeventig geprofiteerd van het feit dat de landen die olie oppompten zelf geen mogelijkheden hadden om raffinaderijen te bouwen. Ze konden het niet betalen of ze misten de competenties.
Het was dus logischer om die faciliteiten aan de ontvangende kant van de keten neer te zetten. Met in hun kielzog de chemische industrie die veel van die olie gebruikt. Vandaag verschijnen de nieuwe olie- en gasraffinaderijen steeds meer aan de bron.
Miljarden gaan naar elders
Meestal in landen waar de lonen lager zijn, de milieuregels soepeler en de kosten lager. De gloednieuwe Dangote-raffinaderij in Nigeria bijvoorbeeld heeft een capaciteit van 650.000 vaten per dag, daarmee is het bedrijf de grootste van Afrika en Europa.
Er worden op dit moment vele miljarden geïnvesteerd in nieuwe raffinaderijen in Afrika, Zuid-Amerika en het Midden-Oosten. De opslag en de productie waarvoor die fossiele grondstoffen worden gebruikt, verhuizen mee naar de bron.
Zo heeft Shell een miljarden kostende petrochemische fabriek in het Amerikaanse Pennsylvania neergepoot waar het bedrijf het lokale schaliegas voor de productie gebruikt. Ook wil Shell in Louisiana LNG-terminals bouwen, een project van meer dan 10 miljard dollar.
‘Als je dat gas uit Louisiana op min 150 graden gekoeld eerst naar Rotterdam moet brengen, dan is dat ondanks alle schaalvoordelen en belastingkortingen toch duurder dan lokaal produceren’, geeft Schellekens aan. Bedrijfsmatig is dat allemaal volstrekt logisch.
Lees ook: ‘We hebben geen tijd meer om een nieuw systeem op te zetten’
Europa is te traag
De fossiele industrie verbruikt enorm veel energie, maar draagt daarvoor in de plaats maar weinig bij aan de toekomst van Nederland, merkt hij op. Daarom is het helemaal niet erg als de haven verder zou krimpen. ‘Dan komen de grote aansluitingen vrij op het stroomnet waar duizenden duurzame bedrijven van kunnen profiteren.’
Maar met de duurzame industrie vlot het ook niet zo in de Rotterdamse haven. Dat lag onder meer aan de Amerikaanse Inflation Reduction Act, legt Kuipers uit. ‘Diverse duurzame bedrijven die in Rotterdam hadden kunnen investeren, zijn daardoor weggelokt naar de VS met genereuze subsidies. Europa had hierop veel sneller met een antwoord moeten komen.’
Het duurzame beleid van Brussel komt wel op gang, maar veel te traag, vindt hij. Datzelfde geldt voor stevige regelgeving. Daarmee had veel drama voor circulaire plasticbedrijven voorkomen kunnen worden. ‘Ik zeg al meer dan tien jaar dat bedrijven verplicht moeten worden om recycled plastic of bioplastic bij te mengen, maar dat is nog steeds niet gebeurd.’
Duurzame hindernissen
Datzelfde geldt voor de productie van groene waterstof waarvan de opschaling trager verloopt dan verwacht. Een van de knelpunten is de onzekerheid over de hoeveelheid en de kosten van de energie die van de windparken op zee aan land zal komen. En ook hier spelen de nettarieven weer een rol.
Van Scherrenburg wijst op ‘de geweldige perspectieven’ dankzij meer wind op zee en waterstof voor de industrie in Rotterdam. Alleen helpt de vertraging van de Delta Rhine Corridor, een belangrijk leidingennetwerk voor waterstof en CO2 naar het achterland, daarbij niet. Dat netwerk zal in 2032 operationeel worden in plaats van 2028. Energie en afzetmarkt zijn cruciaal voor het succes van groene waterstof.
Shell bouwt nog altijd aan de grootste groene waterstoffabriek van Europa, Holland Hydrogen 1, op de tweede Maasvlakte. Daar zou een tweede fabriek bij moeten komen, maar de bouw daarvan is stilgelegd. Air Liquide en Uniper hebben grote projecten in waterstof aangekondigd, maar twijfelen nog. Een ander project, H-vision, is bijna helemaal van de baan en BP trekt zich terug uit H2-Fifty.
Meer vraag creëren
De oplossing zit in het creëren van die circulaire marktvraag, legt Kuipers uit. De industrie biedt nu al vaak groene producten aan, maar de vraag daarnaar ontbreekt, vult Van Scherrenburg aan. En dat is een klus voor Brussel.
Dat dit werkt, blijkt bijvoorbeeld uit de verplichting voor Europese luchtvaartbedrijven om duurzame brandstof (SAF: sustainable aviation fuel) bij te mengen met kerosine. Dat percentage moet elk jaar meer worden, tot 35 procent in 2050.
Om dicht bij deze vraag te zitten, bouwt onder meer Gunvor met Varo Energy aan een grootschalige SAF-productiefaciliteit in Rotterdam. Ook Power 2X, Advario en Metafuels ontwikkelen ambitieuze SAF-projecten. Neste is al met de productie gestart. Het kan dus wel als iedereen de schouders eronder zet. Of met, zoals van Scherrenburg het omschrijft, ‘actie in de taxi.’
Lees ook: Bouw van windparken op zee stagneert



