Winkelmand

Geen producten in je winkelmand.

Wat betekent de lage olieprijs voor de maakindustrie?

Je leest nu: Wat betekent de lage olieprijs voor de maakindustrie?

Lag de prijs voor een vat ruwe olie medio 2014 nog ver boven de 100 dollar, inmiddels dook de prijs al onder de 30 dollar – het laagste niveau in 12 jaar. Wat betekent dat voor de Nederlandse maakindustrie? En hoe kun je eventuele negatieve gevolgen beperken?

Wereldwijde overproductie en een dalende vraag: het zijn de voornaamste oorzaken van de huidige lage prijzen. Nu de Verenigde Staten op energiegebied steeds meer hun eigen boontjes doppen (dankzij de winning van schaliegas en -olie), is de Amerikaanse import van olie uit het Midden-Oosten flink teruggelopen. Tegelijkertijd blijven de OPEC-landen uit concurrentieoverwegingen produceren, ook nu de vraag vanuit Azië – en dan met name vanuit China – flink achterblijft vanwege een afvlakkende economische groei. Tel daar bij op dat ook een land als Iran inmiddels op grote schaal olie produceert, en het is duidelijk dat de olieprijs de komende tijd naar verwachting in elk geval niet flink zal stijgen.

Lagere versnelling

De raffinage- en de chemische sector: vooral in die sectoren zijn ze maar wat blij met de lage olieprijzen, constateert ING-econoom Jurjen Witteveen. ‘Bedrijven in die sectoren hebben hun marges flink zien groeien dankzij de lage inkoopprijzen. Vooral in de raffinagesector nam de toegevoegde waarde de laatste tijd flink toe.’ Daar staat tegenover dat de Nederlandse maakindustrie – die volgens Witteveen van oudsher relatief afhankelijk is van de olie- en gaswinning – momenteel in de hoek zit waar de klappen vallen. ‘De groei van de Nederlandse maakindustrie zit momenteel sowieso in een lagere versnelling’, schetst Witteveen. ‘In de machinebouw lag de productie in het derde kwartaal van het afgelopen jaar zo’n 7 procent lager dan in het kwartaal daarvóór.’

Investeringen omlaag

Maar ook bedrijven die gelieerd zijn aan de oliewinning hebben het momenteel lastig, constateert Witteveen. ‘De Nederlandse maakindustrie kent veel specialistische toeleveranciers voor de mondiale olie- en gasindustrie. Nu oliebedrijven afgelopen jaar flink sneden in hun investeringen – ten opzichte van 2014 investeerden zij ruim 130 miljard dollar minder – merkt dit soort bedrijven dat meteen. Daarbij kun je ook denken aan MKB’ers in de metaalsector die onderdelen maken voor bijvoorbeeld pompen, machines en schepen die worden gebruikt bij de opsporing en winning van olie.’

Diverse effecten

IRO, de branchevereniging voor toeleveranciers in de olie- en gasindustrie, geeft bij monde van een woordvoerder te kennen helaas niet over concrete cijfers te beschikken. Wel benadrukt ze dat de effecten bij alle 435 IRO-leden verschillend zijn; waar het ene bedrijf zich geconfronteerd ziet met snel opdrogende orderportefeuilles, biedt de situatie voor andere bedrijven weer kansen op het vlak van bijvoorbeeld hernieuwbare energie en het ontmantelen van olieplatforms.

Kostenefficiency

De lage olieprijs dwingt bedrijven om hun organisaties te stroomlijnen en te kijken naar kostenefficiency; IRO verwacht dat vooral kleinere bedrijven meer zullen gaan samenwerken om te komen tot innovatieve en kostenefficiëntere oplossingen. Pessimistisch is de brancheorganisatie niet, benadrukt de woordvoerder: nu de middenklasse wereldwijd groeit, groeit ook de vraag naar energie sterk. De verwachting is dat alleen hernieuwbare energie niet voldoende is om daaraan te voldoen; meer dan 80 procent van de mondiale energiebehoefte zal de komende decennia ingevuld blijven via olie en gas.

Katalysator

Adviesbureau McKinsey onderzocht recent de stand van zaken in de Nederlandse offshore-industrie. Volgens consultant Diederik Nelissen klopt het dat de sector onder druk staat door de lage olieprijs. ‘Olie- en gasmaatschappijen investeren minder; grote projecten worden uitgesteld of zelfs geannuleerd. Oliebedrijven zoeken naar manieren om de kosten significant terug te dringen, en dat zullen ook toeleveranciers binnen de Nederlandse maakindustrie merken.’

Toch is het niet alleen maar kommer en kwel, benadrukt Nelissen. ‘In elk afzonderlijk segment van de offshore-sector zijn de effecten weer anders. Bovendien is de Nederlandse offshore-sector goed gepositioneerd in internationaal opzicht, dus we kunnen tegen een stootje.’ Bovendien biedt de lage olieprijs volgens Nelissen ook kánsen. ‘Zo werken de lage prijzen als een katalysator voor de versnelde ontmanteling en recycling van de relatief oude olieplatforms op de Noordzee. Dat levert tal van nieuwe activiteiten op die ook voor de maakindustrie interessant kunnen zijn. Daarnaast zijn veel Nederlandse toeleveranciers ook actief op het gebied van windenergie, en dat is een behoorlijke groeimarkt.’

Kansen voor innovatie

Een andere grote kans ligt er op het vlak van innovatie, voorziet Nelissen. ‘Olie- en gasmaatschappijen zijn naarstig op zoek naar manieren om een hogere productiviteit en meer efficiency te koppelen aan lagere kosten. Innovatie speelt daarbij een enorm belangrijke rol. De Nederlandse maakindustrie, met zijn grote innovatieve vermogen, kan bij uitstek goede ideeën aanreiken en zo bijdragen aan de concurrentiepositie van de Europese offshore-sector. Zeker nu de olieprijs naar verwachting voorlopig geen significant herstel laat zien.’


Wie de Maakindustrie100 bekijkt, ziet daarin nogal wat bedrijven staan die als toeleverancier nauw verbonden zijn met de olie- en gasbranche. Van de benaderde bedrijven was er geen enkele partij die uitspraken kon of wilde doen over de huidige en verwachte effecten van de lage olieprijs.

 

 

Dit artikel is onderdeel van het dossier Made in NL. Bij MT vinden we dat Nederland trotser mag zijn op zijn maakbedrijven. Met Made in NL wil MT de kennisdeling binnen én over de sector bevorderen en maakbedrijven een podium bieden. Opdat we terecht trots zijn op de hidden champions van de maakindustrie. In deze missie wordt MT vergezeld door de volgende partners: Centraal Beheer Achmea, MBCF, NIBC, Salesforce en TNO.