Winkelmand

Geen producten in je winkelmand.

Burn-out behandelen met traumatherapie: werkt dat?

Traumatherapie wordt ook ingezet bij de behandeling van burn-outs, maar wetenschappers zetten vraagtekens bij de effectiviteit van deze methode.

Je leest nu: Burn-out behandelen met traumatherapie: werkt dat?

Het aantal mensen met burn-outs blijft stijgen, met name onder medewerkers in vaste dienst. Dat blijkt uit recent onderzoek van TNO. Eén op de zes van de werkenden heeft last van burn-outklachten en de kosten voor psychische problemen komen uit op vier miljard euro per jaar. ‘De afgelopen tien jaar hebben we de burn-out percentages in Europa rap zien stijgen. We kreunen onder een enorme werkdruk, mensen werken langer en maken meer overuren’, zegt Elke Van Hoof, ook professor aan de Vrije Universiteit van Brussel.

Goed wetenschappelijk onderzoek naar burn-outs ontbreekt, volgens Van Hoof. ‘We weten dat het ontstaat als iemand langer dan zes maanden aan toxische stress wordt blootgesteld. En uit studies blijkt dat factoren als autonomie, flexibiliteit, leiderschap en beloning invloed hebben op het verminderen van toxische stress’, zegt de professor. ‘Maar in welke mate, daar is nog geen consensus over gevonden. Daardoor is de burn-out nog een rammelend concept en verschillen meetinstrumenten en behandelingen enorm. Met een duidelijke wetenschappelijke definitie zouden we burn-outs efficiënter kunnen bestrijden.

Traumatherapie

Van Hoof werkt naast haar baan als professor zo’n twintig jaar als stress- en traumapsycholoog in haar eigen praktijk ‘Huis voor Veerkracht’. Ze ontdekte in haar praktijk dat traumatechnieken ook effectief zijn in de behandeling van burn-outs.

Want hoewel trauma’s en burn-outs op veel vlakken verschillen, ziet Van Hoof ook eigenschappen in de hersenen die overeenkomen. ‘In beide situaties is bijvoorbeeld de hippocampus aangetast, waardoor er concentratieproblemen ontstaan. Zowel mensen met een trauma, als met een burn-out, kunnen niet meer goed oplossingsgericht en flexibel werken. De emotieregulatie verstart en ze hebben last van aanpassingsproblemen.’

In haar therapie maakt Van Hoof onder andere gebruik van Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR), een techniek die normaal gesproken wordt toegepast op mensen met een trauma. Tijdens een EMDR-sessie worden ze blootgesteld aan de triggers die angst oproepen, terwijl ze met hun ogen de vinger van de therapeut volgen. Dat moet ervoor zorgen dat de patiënt een andere betekenis aan het trauma gaat geven.’

Bewijs

Pim Cuijpers, hoogleraar Klinische Psychologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, heeft vraagtekens bij het toepassen van traumatechnieken op burn-outs: ‘Er is veel onderzoek gedaan naar de toepassing van EMDR op psychische aandoeningen als angst en depressie. Daaruit kan je concluderen dat er geen bewijs is dat het werkt. Tot nu toe is het alleen effectief in de behandeling van posttraumatische stressstoornis (PTSS).’

Naast EMDR bestaat de behandeling van Van Hoof ook uit andere onderdelen. ‘We doen bijvoorbeeld ook oefeningen waarbij we op zoek gaan naar bevriezingsmomenten. Momenten waarop iemand bevroor, omdat diegene onder druk stond of zich geïntimideerd voelde. Met een aantal lichamelijke technieken, visualisatie en zelfcompassie proberen we het gevoel van veiligheid en de zelfeffectiviteit te verhogen. Het gaat in de therapie dus om een combinatie van verschillende factoren.’

Terugkeren op de werkvloer

Inmiddels heeft Van Hoof ongeveer zeshonderd mensen op deze manier geholpen en data verzameld van zo’n vierhonderd cliënten. Gaan volgens het CBS mensen met een burn-out gemiddeld weer na 189 dagen aan het werk, na haar therapie keren mensen volgens Van Hoof gemiddeld weer binnen 92 dagen terug op de werkvloer. ‘Ook zien we een duurzaam effect, de stress blijft ook na de terugkeer op de werkvloer afwezig.’

Die snelle re-integratie is volgens Van Hoof voornamelijk te danken aan het snelle handelen en de planmatige aanpak. ‘Bij traditionele behandelingen zie je vaak lange wachttijden, de opstartfase duurt soms al drie a vier maanden. Met onze therapie gaan we vrijwel meteen aan de slag met een opmaat gemaakt plan. Die snelheid is cruciaal.’

Cuijpers: ‘In ons vakgebied worden aan de lopende band nieuwe therapieën ontwikkeld. Alleen weten we vaak niet of die behandelingen echt werken. Mensen die een therapie volgen en beter worden, schrijven dat toe aan de behandeling. Maar het feit dat je mensen ziet opknappen zegt niets, we weten namelijk helemaal niet exact hoe mensen genezen. Van een burn-out of depressie kun je ook spontaan herstellen, zonder behandeling.’

Wetenschappelijk onderzoek

Van Hoof wil haar resultaten zo snel mogelijk overdragen aan de wetenschap, zodat de therapie wetenschappelijk gevalideerd kan worden. Daarnaast heeft ze een team van psychologen opgeleid die mensen kunnen gaan behandelen met deze therapie.

Cuijpers had liever gezien dat er eerst wetenschappelijk onderzoek was gedaan, voordat er psychologen werden opgeleid: ‘Het is net als met medicijnen, de dokter geeft ook niet zomaar een pil omdat het bij een paar patiënten werkt. Daar is eerst een uitgebreide studie naar gedaan. Met een controlegroep. Waarbij de ene groep de behandeling krijgt en de andere niet. CBS cijfers zijn niet voldoende, omdat mensen die deze behandeling krijgen een specifieke groep vormen.’