Winkelmand

Geen producten in je winkelmand.

Zo denken beslissers over de toekomst van werk

De coronacrisis en toenemende automatisering zorgen voor een fundamentele herziening van werk. Het World Economic Forum onderzocht wat dit betekent.

Je leest nu: Zo denken beslissers over de toekomst van werk

De coronacrisis dwingt bedrijven sneller te digitaliseren. De pandemie leidt tot toenemende onzekerheid op de arbeidsmarkt en draagt, in combinatie met toenemende automatisering, bij aan een fundamentele herziening van werk. Hoe ziet die toekomst van werk eruit?

In zijn tweejaarlijkse The Future of Jobs Report onderzoekt het World Economic Forum de veranderende manier van werken. Hieraan hebben wereldwijd 291 bedrijven uit 26 landen deelgenomen, waaronder uit Nederland. Het Amsterdam Centre for Business Innovation (ACBI) van de Amsterdam Business School van de UvA droeg bij aan de gegevens voor Nederland. Dit zijn de tien belangrijkste bevindingen:

1. Het tempo van technologische ontwikkelingen blijft onverminderd en versnelt in sommige sectoren

De toepassing van cloud computing, big data en e-commerce blijft bij bedrijven hoog op de agenda staan. Dit geldt eveneens voor Nederland. Zo is de verwachting dat de ruime meerderheid (86 procent) van de ondervraagde Nederlandse bedrijven die technologieën binnen vijf jaar zullen toepassen. Ondanks de vrij hoge adoptiegraad blijft Nederland op dit gebied achter ten opzichte van Japan en de Verenigde Staten waar de adoptiegraad zelfs rond de 95 procent  ligt.

Nederland blijft achter ten opzichte van Japan en de Verenigde Staten

Er zijn verschillende technologische ontwikkelingen die de komende jaren naar verwachting meer gemeengoed worden bij bedrijven. Dit gaat naast cloud computing (+17 procent ) om bijvoorbeeld de opkomst van encryptie en cybersecurity (+29 procent ), 3D- en 4D-modellen (+10 procent ), robotica (+10 á 11 procent ) en blockchaintechnologie (+10 procent ). Quantum computing (-5 procent ) zullen naar verwachting bij wat minder bedrijven geïntroduceerd worden in de nabije toekomst.

De adoptiegraad van de verschillende technologische ontwikkelingen varieert per industrie. Zo wordt kunstmatige intelligentie vooral toegepast in de zakelijke en financiële dienstverlening, de gezondheidszorg en de transportsector. Verder zijn big data, het Internet of Things (IOT) en niet-humanoïde robotica (zoals industriële automatisering en drones) van steeds groter belang voor de mijnbouw en metaalindustrie, terwijl de overheid en publieke sector zich vooral onderscheidt op het gebied van encryptie.

2 De corona-pandemie versnelt digitalisering en thuiswerken en leidt tot een fundamentele herziening van banen en functies

De coronapandemie dwingt bedrijven tot digitaliseren en heeft een sterke invloed op de acceptatie van (nieuwe) technologieën. De situatie rondom COVID-19 zorgt voor een toename in de mate van thuiswerken, een versnelde digitalisering van de werkuitvoering en toenemende automatisering van processen en taken. Bedrijven in Nederland lijken daarbij vooral in te zetten op de digitalisering van arbeidsprocessen (96procent ) en op meer mogelijkheden om vanuit huis te werken (88procent ).

43 procent verwacht het personeelsbestand te verminderen vanwege technologie-integratie

Van de ondervraagde bedrijven geeft 43 procent aan van plan te zijn om hun personeelsbestand te verminderen vanwege technologie-integratie. Daartegenover staat dat één op de drie ondervraagde bedrijven (34 procent ) hun personeelsbestand verwacht te vergroten vanwege diezelfde integratie. Twee op de vijf bedrijven (41 procent ) verwacht meer gespecialiseerd personeel aan te zullen nemen. Naar verwachting zal in 2025 ongeveer de helft van alle werk-gerelateerde taken door machines worden uitgevoerd. Een aanzienlijk aandeel van de bedrijven verwacht in de komende vijf jaar veranderingen door te voeren met betrekking tot hun locaties, waardeketens en de omvang van hun personeelsbestand als gevolg van factoren die niet direct te relateren zijn aan technologie.

3. De opkomst van digitale technologieën vraagt om- en bijscholing en bovenal training-on-the-job

Er is een tweedeling op de arbeidsmarkt op komst, stelt het Future of Jobs Report. Enerzijds verwachten de ondervraagde bedrijven dat bepaalde beroepsgroepen afnemen in omvang. Denk daarbij aan administratieve taken die steeds vaker geautomatiseerd kunnen worden. De verwachting is dat dergelijke beroepsgroepen dalen van 15,4 procent naar 9 procent van het uitvoerende personeel. Op die manier zouden wereldwijd 85 miljoen banen vervangen door technologie.

Anderzijds is de verwachting dat nieuwe en groeiende beroepsgroepen in toenemende mate het personeelsbestand vertegenwoordigen: van 7,8 procent naar 13,5 procent van het totale personeelsbestand. Hiermee zijn wereldwijd 97 miljoen banen gemoeid. Dat kunnen banen zijn als  data scientists, machine learning experts of industriespecifieke experts zoals renewable energy engineers. Volgens het rapport is er in Nederland daarnaast in het bijzonder ook vraag naar ‘food scientists & technologists’. De COVID-19 pandemie en een tekort aan passend personeel hebben vooralsnog geleid tot een vertraging in de opkomst van die opkomende  beroepsgroepen.

De COVID-19 pandemie zorgt voor een vertraging van de opkomst van nieuwe beroepsgroepen

De opmars van bepaalde beroepsgroepen en functies gaan gepaard met een vraag naar andere vaardigheden van personeel. Ongeveer de helft van de ondervraagde bedrijven geeft aan moeite te hebben met het werven van voldoende gekwalificeerd personeel voor dergelijke functies. Ter aanvulling (of als alternatief) daarop bieden werkgevers nu al extra bijscholingen en herscholingen aan bij hun werknemers. Gemiddeld genomen is de verwachting dat 70 procent  van het personeelsbestand de mogelijkheid krijgt voor om- en bijscholing. Maar liefst 94 procent  van de ondervraagde bedrijven stelt dat medewerkers nieuwe vaardigheden opdoen tijdens het uitvoeren van hun werkzaamheden: zogeheten training-on-the-job. Dit betreft een sterke toename ten opzichte van 2018 waarin dat nog 65 procent  bedroeg.

4. Analytisch denken en innoveren geldt als één van de meest cruciale vaardigheden voor het toekomstige medewerkersbestand

Er is onverminderd sprake van een tekort aan vaardigheden. Veranderende omstandigheden waarin bedrijven opereren, zoals vanwege technologische ontwikkelingen, stellen andere eisen aan organisaties en hun medewerkers om te floreren. Uit het onderzoek komt naar voren dat onder andere de volgende eigenschappen van medewerkers als cruciaal worden gezien in 2025: kritisch denken en analyseren, probleemoplossende vaardigheden en zelfmanagement, inclusief actief leren, veerkracht, stresstolerantie en flexibiliteit. De bedrijven verwachten dat 40 procent van de werknemers reskilling nodig heeft van minder dan zes maanden en 94 procent  van de managers verwacht dat medewerkers tijdens het werk nieuwe vaardigheden moeten aanleren

5. Het ‘nieuwe werken’ heeft haar intrede gedaan bij de grote meerderheid van het kantoorpersoneel

84 procent van de ondervraagde werkgevers is bezig om werkprocessen versneld te digitaliseren, zodat onder meer thuiswerken kan worden gefaciliteerd. Bedrijven verwachten in staat te zijn om uiteindelijk gemiddeld 44 procent  van hun personeelsbestand te kunnen laten thuiswerken. Ongeveer een derde van alle werkgevers stelt zich hard te (zullen) maken voor het vergroten van het groepsgevoel en van de onderlinge verbondenheid van medewerkers door middel van investeringen in digitale toepassingen.

Ook wordt door een aanzienlijk deel van hen aandacht besteed aan nieuwe uitdagingen als gevolg van de verschuiving naar thuiswerk, waaronder de noodzaak van voldoende toegang tot digitale connectiviteit en de extra zorgtaken waar werknemers mee kunnen worden geconfronteerd, zoals zorg voor kwetsbare familieleden.

Bedrijven verwachten gemiddeld 44 procent van hun personeelsbestand te kunnen laten thuiswerken

6. Toenemende ongelijkheid dreigt door de combinatie van technologische ontwikkelingen en de huidige recessie 

Vergeleken met de impact van de wereldwijde financiële crisis van 2008 is de impact van de COVID-19 crisis op personen met een lager opleidingsniveau beduidend groter. De huidige turbulentie heeft wereldwijd ook zijn weerslag op arbeidskansen voor jonge professionals. In sommige landen, waaronder de Verenigde Staten, Duitsland en Australië, wordt onevenredig veel vrouwelijk personeel getroffen, zo blijkt uit werkloosheidscijfers van de Internationale Arbeidsorganisatie.

De ongelijkheid tussen verschillende groepen werkenden op de arbeidsmarkt lijkt groter te worden. Zo zouden als gevolg van de recessie wereldwijd naar schatting 88 tot 115 miljoen mensen in 2020 weer in extreme armoede kunnen vervallen. Nederland zelf heeft relatief weinig kwetsbare banen binnen de onderzochte bedrijven. Daardoor lijkt de pandemie vooralsnog geen duidelijk negatief effect te hebben gehad op de ongelijkheid in ons land.

7. Online leren en trainen is in opkomst

Het aantal mensen dat mogelijkheden zoekt voor online leren op eigen initiatief is verviervoudigd sinds het aantreden van de COVID-19 crisis. Tegelijkertijd was er een vervijfvoudiging van het werkgeversaanbod van online leermogelijkheden voor hun werknemers en een negenvoudige toename van het aantal inschrijvingen door studenten om toegang te krijgen tot online leren via overheidsprogramma’s.

Het aantal persoonlijke ontwikkelingscursussen groeide met 88 procent

In tegenstelling tot 2019, waarin met name technische vaardigheden centraal stonden, zijn werkenden anno 2020 vooral gefocust op persoonlijke ontwikkeling. Het aantal persoonlijke ontwikkelingscursussen groeide met 88 procent. Werklozen hebben vooral meer nadruk gelegd op het aanleren van digitale vaardigheden op het gebied van bijvoorbeeld data-analyse, informatica en informatietechnologie, aangezien de vraag naar deze vaardigheden toeneemt.

8. De tijd om werknemers te ontwikkelen en bij te scholen is korter geworden

Dit geldt voor zowel werknemers die waarschijnlijk hun baan behouden als degenen die het risico lopen hun baan te verliezen als gevolg van de stijgende werkloosheid door de huidige recessie. Onafhankelijk van de situatie kunnen werknemers niet langer verwachten zich op het werk om te kunnen scholen. Naar verwachting zal 50 procent van alle werknemers bijgeschoold moeten worden, maar liefst 40 procent van hun kernvaardigheden zal moeten worden vernieuwd. Dit is een stijging van 4 procent  vergeleken met 2019. In Nederland gaat wat betreft de ontwikkeling van vaardigheden vooral aandacht uit naar analytisch denken, actieve leeraanpakken, leiderschap en creativiteit.

In Nederland gaat de aandacht vooral uit naar vaardigheden als analytisch denken, actieve leeraanpakken, leiderschap en creativiteit

9. De overgrote meerderheid van de werkgevers erkent de waarde van investeringen in menselijk kapitaal

Gemiddeld 66 procent van de ondervraagde werkgevers verwacht binnen een jaar een rendement op investeringen in bijscholing en omscholing te krijgen. Deze tijdshorizon dreigt echter te lang te zijn voor veel werkgevers gezien de huidige economische omstandigheden. Dit zou in Nederland mogelijk problemen kunnen veroorzaken, want ongeveer een kwart van degenen die hun vaardigheden moeten transformeren heeft hier meer dan een jaar voor nodig. Ook blijft bijna 17 procent van de werkgevers onzeker over het behalen van enig rendement op investeringen in dit verband.

Werkgevers verwachten gemiddeld om- en bijscholing aan te bieden aan meer dan 70 procent van hun werknemers tegen 2025. Alhoewel het moeilijk blijft om de lange termijn gevolgen van COVID-19 voor de vraag naar producten en diensten in zwaar getroffen sectoren vast te stellen, kunnen investeringen in menselijk kapitaal tijdens deze overgang van groot belang zijn

10. De publieke sector moet omscholing en bijscholing voor werklozen en medewerkers die hun baan dreigen te verliezen sterker ondersteunen

Slechts 21 procent  van de bedrijven geeft aan in staat te zijn om gebruik te maken van publieke middelen om hun werknemers door middel van omscholing en bijscholing te ondersteunen. Volgens het World Economic Forum zal de publieke sector prikkels moeten creëren voor investeringen in de markten en banen van morgen. Ook moet het zorgen voor sterkere vangnetten voor werklozen en het resoluut aanpakken van langdurig vertraagde verbeteringen aan onderwijs- en trainingssystemen.

Bovendien zal het belangrijk zijn voor overheden om de lange termijneffecten voor de arbeidsmarkt door te vertalen in adequate handhaving, terugtrekking of gedeeltelijke voortzetting van de COVID-19-crisisondersteuning. In de meeste geavanceerde economieën wordt deze ondersteuning verstrekt om lonen te ondersteunen en banen te behouden.