Winkelmand

Geen producten in je winkelwagen.

Coronacrisis: de eerste voorzichtige lessen

Hoe hard het coronavirus Nederland ook op zijn grondvesten doet schudden, we leren er ook weer van. De eerste voorzichtige lessen van een crisis die volgens deskundigen groter en heftiger is dan de bankencrisis van 2008.

Coronacrisis
Getty
Je leest nu: Coronacrisis: de eerste voorzichtige lessen

Les 1: We zijn verknoopt

De wereld is een dorp geworden, volken en landen zijn met elkaar verknoopt. De consequentie daarvan is dat een virus op een markt in het Chinese Wuhan binnen een paar maanden de wereldeconomie midscheeps treft. Soepel draaiende productieketens komen stokkend tot stilstand, van Azië tot Europa en Amerika. Kleine verstoringen kunnen in zo’n verknoopte situatie grote economische gevolgen hebben. Ook om die reden (naast milieu en welzijn) gaan er geluiden op om ‘het afgodsbeeld van de globalisering ten grave te dragen’.

Globalisering was ooit een zegen. De laatste golf begon na 1990 met de val van de Berlijnse muur, de opening van China en de komst van het wereldwijde web. Sindsdien zagen we volgens Britse econoom Ian Goldin ‘de snelste vooruitgang die de mensheid ooit heeft gekend’, in termen van minder armoede, meer inkomen en een hogere levensverwachting.

Het lijkt ook niet meer tegen te houden. We hebben elkaars specialismen nodig. De Chinezen zullen hun talent voor complexe productienetwerken niet verliezen. De Duitsers zullen goeie ingenieurs blijven, de Britten goeie bankiers, de Belgen goeie bierbrouwers en de Nederlanders goede handelslui. Maar misschien moeten we het anders verdelen.

Les 2: We zijn afhankelijk 

De haperende levering van halffabricaten uit China lijkt aan te tonen dat bedrijven de productie van onderdelen in lagelonenlanden beter terug kunnen halen. Toch is dat niet helemaal de oplossing, betoogt Raoul Leering, hoofd internationaal handelsonderzoek bij ING, in het FD. Wie alles in eigen land gaat doen, kan hetzelfde overkomen als China. Ook in China klapt de binnenlandse productie nu in elkaar omdat ze daar bijna alles in eigen land maken. Beter is dus met een geografisch breed gespreide groep van potentiële leveranciers te werken. Spreiding is de beste manier om er zeker van te zijn dat het productieproces kan doorgaan als er in een land problemen zijn.

Les 3: We hebben een grote veestapel

Het coronavirus is een zogeheten zonose, een ziekte die door besmetting via dieren op de mens kan overspringen. Daar zijn er veel van, wereldwijd zo’n 150, stelt een rapport van de Wageningen Universiteit. Dertien daarvan zijn inmiddels verantwoordelijk voor 2,2 miljoen doden wereldwijd. Tot die ziekten horen onder meer vogel- en varkensgriep, rundertuberculose, hondsdolheid, Q-koorts en hepatitis E.
Nederland heeft met 113,5 miljoen varkens, runderen, kippen en geiten een fikse veestapel en die verkleint de kans op ziekten niet. In 2003 was Nederland de bron van vogelgriep. Geitenmest bleek in 2004 de bron voor een golf van Q-koorts. En hoewel er volgens Wim van der Poel, viroloog aan de Wageningen Universiteit ‘geen aantoonbare relatie is tussen corona en de veehouderij’, bevat die relatie wel risico’s.

Les 4: We hebben weinig in kas

We weten het nog uit de crisis van 2008. Als de omzet ineens halveert – of erger: minimaliseert – is het bijzonder prettig om een goede kaspositie te hebben. Cash biedt je een buffer voor continuïteit en het is een maatstaf voor winst. Veel directeuren en managers staren zich blind op omzet, marge of winst. Terwijl de jaarrekening positief is en producten of projecten met winst worden verkocht, komt de financiële stabiliteit en continuïteit van de organisatie toch in het gedrang. De reden? Niet de winst garandeert de continuïteit van de operatie, maar de cash.

Les 5: We werken thuis

De ‘intelligente lockdown’ van Nederland heeft de economie dan bijna tot stilstand gebracht, het verhinderde de kantoorwerker niet thuis vrolijk door te werken. Door de goede digitale infrastructuur in Nederland waren we al in staat veel digitaal te doen, maar nu het gedrag van de kantoorwerker en diens baas noodgedwongen verandert, blijkt digitaal werken in veel gevallen efficiënt en effectief. Tools als Skype, Zoom, Hangouts en GoToMeetings vinden gretig aftrek. Voor overleg, voor kennisoverdracht (webinars), ja zelfs voor virtuele borrels. Een zegen voor het fileprobleem, en een les voor als straks de coronacrisis voorbij is.
Aan leiders vervolgens de taak vooral duidelijk te blijven in wat je verlangt. Van medewerkers, klanten en andere stakeholders.

Les 6: We hebben veel zzp’ers

Nederland telt ruim 1,2 miljoen zzp’ers. Vier op de tien bouwt geen financiële reserves op, meestal omdat daar geen ruimte voor is (een gemiddelde zzp’er verdient 7.000 euro minder dan een werknemer). De overheid moet nu fors financieel inspringen om deze grote groep overeind te houden en daarmee staat de hoeveelheid zzp’ers in Nederland opnieuw ter discussie.

Volgens het CBS is gemiddeld 1 op de 10 werkenden tussen de 15 en 75 jaar in de EU werkzaam als zzp’er. Het aandeel zzp’ers is het hoogst in Griekenland (22 procent van de werkenden). Nederland staat in de EU op een zevende plek met ruim 12 procent zzp’ers in 2018. Het laagst is het aandeel in Denemarken, nog geen 5 procent.

Les 7: We hebben weer oog voor de publieke zaak

Door de focus op welvaart en economische groei van de afgelopen jaren, is er bezuinigd op de publieke zaak. Vooral zorg en onderwijs hebben daaronder geleden, zeker ook omdat door de vergrijzing de kosten van de zorg jaar op jaar fors toenamen. Nu de pandemie een feit is krabben we ons achter de oren. Was dit handig? Hebben we het laten lopen? Ja, vindt filosoof en jurist Marc Schuilenburg, schrijver van het vorig jaar verschenen boek Hysterie: een cultuurdiagnose. ‘Het publieke hart van Nederland hard is geraakt. In plaats van het financiële systeem te redden, zou de politiek daar de pijlen op moeten richten’, zegt hij in De Volkskrant.

Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, daarover bij Nieuwsuur: ‘Deze crisis gaat ook over hoe we met elkaar omgaan. Mensen willen elkaar nu helpen en er ontstaan allerlei nieuwe initiatieven. Bij veel mensen brengt dit een reflectie teweeg: we moeten dit samenwerken vasthouden, de overheid moet dat faciliteren en publieke voorzieningen herwaarderen.’