Winkelmand

Geen producten in je winkelmand.

Rita Verdonk, minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

Je leest nu: Rita Verdonk, minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie

Rita Verdonk wordt bejubeld en verguisd. Velen vinden haar duidelijkheid een verademing na een periode van pappen en nathouden, tegenstanders verwijten haar onmenselijkheid. Ondanks dat ze permanent bewaakt wordt, geeft de minister voor Integratie en Vreemdelingenzaken niet op. “Op deze positie kan ik dingen beter maken in Nederland.”

 

“Moet ik nog wat lippenstift opdoen?” vraagt minister Rita Verdonk onzeker aan haar woordvoerder voordat ze op de foto gaat. Haar lippen zijn nog felrood van kleur, maar de minister twijfelt. “Ik wil straks niet horen waarom ik geen lippenstift ophad,” verontschuldigt ze zich. Rita Verdonk, minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie weet waarom ze soms harder overkomt dan ze eigenlijk bedoelt. Het komt door de televisie. Kennelijk is er iets in haar presentatie waar mensen steeds weer over vallen. Zijn het de drukke armgebaren, is het de staccato spreekstijl of misschien toch ook een beetje de hardrode lippenstift over de lippen die niet meer dan een streepje uitmaken van haar gezicht? En dan nog die persiflages die alles erger maken, zoals die in het programma Kopspijkers van Jack Spijkerman. Te makkelijk, vindt Verdonk. “Daar word ik op een bepaalde manier neergezet door mensen die mijn fans niet zijn.” Van de minister kan veel gezegd worden, maar over één ding is vriend en vijand het eens: ze heeft ballen. Niet voor niets wordt ze soms ‘de enige man in het kabinet’ genoemd. Het beleid van Verdonk is hard maar duidelijk. Door critici wordt haar rechtlijnigheid beoordeeld als gebrek aan creativiteit en soms aan menselijkheid. “Maar,” zegt Verdonk, “ik ben lang genoeg manager geweest om te weten dat moeilijke boodschappen overbrengen het lastigste is wat er is. Ik maak het gewoon niet mooier dan het is. Uiteindelijk is iedereen beter af met duidelijkheid.”

Die duidelijkheid, is dat iets wat u in uw tijd als gevangenisdirecteur heeft geleerd?

“Ja, daar moest ik als leidinggevende een heldere boodschap neerleggen. Ik heb daar geleerd dat je voor je mensen moet staan, dat je afspraken moet nakomen. Zeker in die situatie. Ik heb daar geleerd om te gaan met mensen van allerlei pluimage. En ik heb daar eelt op mijn ziel gekregen.”

En die ervaring helpt u nu met het uitvoeren van uw ministerschap?

“Het helpt me met maatregelen nemen om bepaalde problemen op te lossen. Een basale waarde is bijvoorbeeld Nederlands spreken. We hebben nu ingevoerd dat mensen die hier willen komen wonen, de verplichting hebben Nederlands te leren. Waarom? Omdat we zien dat heel veel jongeren, vooral van Turkse en Marokkaanse afkomst, nog steeds hun partner halen uit het land van herkomst. Veel jonge vrouwen komen naar Nederland zonder dat ze weten waar ze aan beginnen. Ze hebben veel moeite om hier te integreren. Daarnaast hebben we in Nederland 500.000 mensen die geen Nederlands spreken. Die mensen kunnen niet alleen naar de dokter, kunnen niet zelfstandig winkelen. En ze kunnen niet aan het werk komen omdat ze de taal niet machtig zijn.”

Heeft u lang moeten nadenken toen u gevraagd werd voor deze functie?

“Ik had in eerdere gesprekken een aantal ministersposten genoemd die ik ambieerde. Daar zat de post van minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie ook bij.”

Dat meent u niet. Wie wil nou zo’n hoofdpijnportefeuille?

“Ik vond en vind nog steeds dat het tijd was voor een aantal maatregelen. Ik heb al eens eerder gezegd dat ik vind dat wij in Nederland de afgelopen vijftien jaar toch behoorlijk naïef zijn geweest. Ik was toen ook een burger en…”

…ook naïef?

“Nee! De politiek is naïef. De burgers niet. Burgers zien heel goed wat er gebeurt. Maar de politiek correcte houding van toch een fiks aantal politici destijds heeft ons in deze situatie gebracht. Het onbespreekbaar maken van problemen op het gebied van integratie. Kijk naar Bolkestein. Hoe lang is die niet roepende in de woestijn geweest. Ik loop nog iedere dag tegen de gevolgen van die politiek correcte houding aan. Er zijn nog zo veel zaken die we moeten aanpakken.”

Bent u zo somber over de toestand in Nederland?

“Nee, ik ben niet heel somber want ik zie ook veel goede ontwikkelingen. Wat ik bijvoorbeeld zie na de dood van Theo van Gogh is dat minderheden ook veel meer zelf hun verantwoordelijkheid gaan nemen. Ze maken zelf zaken bespreekbaar en spreken hun eigen mensen aan. Mijn ideaal is dat we het met alle fatsoenlijke burgers voor elkaar krijgen. Want dan kunnen we het zó goed hebben in Nederland. Dan kunnen we een vuist maken tegen degenen die we er niet bij willen hebben, namelijk de mensen die echt radicale daden uitvoeren.”

Ondertussen zit u in permanente bewaking. Is dat het wel waard?

“Dat eist zijn tol, zeker voor mijn gezin. Waar ik ben, is beveiliging. En ja, dat vinden ze natuurlijk niet leuk. Gezellig samen winkelen zit er niet meer in. Mijn man en ik zitten nooit meer samen in de auto, we zitten altijd met zijn vieren. De beveiliging is er gewoon altijd. Ik ben er aardig aan gewend, maar voor mijn man en kinderen is het een zware belasting. “Ik wil dingen beter maken in Nederland. Aan de ene kant door veel strengere eisen te stellen aan de mensen die Nederland binnenkomen. Maar ook door de integratie te verbeteren. Ik wil dat mensen elkaar weer gaan respecteren en dat ze elkaar weer weten te vinden. Dat is een zware taak, maar het móet beter worden in Nederland. Dat is wat mij iedere morgen de energie geeft om door te gaan. Het moet gewoon beter worden. En op deze positie kan ik aan een aantal knoppen draaien om ervoor te zorgen dat dat ook echt gaat gebeuren.”

Wat trof u aan toen u hier binnenkwam?

“Ik kende het ministerie van Justitie al, ik heb hier dertien jaar allerlei managementfuncties gehad. Dat ik hier nu als minister zit, was natuurlijk wel even wennen. Veel mensen kennen mij hier nog als Rita, maar nu ben ik ook minister. Daar hebben we wel een aantal gesprekken over gehad. Als ik tegenover Jan of Piet of Klaas zit, discussier ik met iedereen even hard, maar dan vraag ik ook nog even hoe het thuis is. Dat hoort nog bij die oude geschiedenis die je samen hebt.”

Ik bedoelde eigenlijk meer de organisatie die u aantrof. Ik had de indruk dat de IND nogal een moegebeukte organisatie was.

“Mensen bij de IND waren moegebeukt omdat ze altijd in de verdediging geplaatst worden. Dat is nu over omdat ik een aantal maatregelen heb genomen om dat te verbeteren. Als een uitgeprocedeerde asielzoeker of zijn raadsman zelf de publiciteit zoekt en daarbij onwaarheden vertelt, dan vind ik dat ik de mogelijkheid moet hebben om daar iets tegenover te zetten, om te vertellen hoe het wel zit. En natuurlijk is dat met allerlei waarborgen omkleed, maar ik vind dat heel belangrijk voor de uitvoerders van het beleid. Wat mensen doen bij de IND, bij de marechaussee en bij de vreemdelingenpolitie, is het handhaven van de wet en de regels die hier in Nederland zijn goedgekeurd. Die maken deel uit van onze democratische rechtsstaat.”

Die harde lijn wordt u niet altijd in dank afgenomen.

“Wat ik wil is een sluitende aanpak. En er zijn veel mensen die mij dat kwalijk nemen. Er zijn 26.000 mensen binnengekomen onder de oude vreemdelingenwet. Van die 26.000 mag een aantal blijven, de rest moet Nederland verlaten. Overigens heb ik de Kamer toegezegd dat ik met mijn hart zou kijken naar schrijnende gevallen en dat heb ik ook gedaan. Er zijn driehonderd gevallen die alsnog een vergunning hebben gekregen. Eerder al hebben 2200 mensen toestemming gekregen om te blijven op grond van een specifiek pardon. Ik heb toen duidelijk gezegd: dit is gebeurd, nu gaan we verder met de uitvoering van het beleid.”

U heeft uw politieke lot verbonden aan het uitzettingsbeleid.

“Ja, van die 26.000 mensen zit een aantal nog in de procedure en die kunnen dus nog een vergunning krijgen. De mensen die uitgeprocedeerd zijn, moeten ook daadwerkelijk het land verlaten. Daar zit voor mij een inspanningsverplichting achter van drie jaar. Op dit moment zitten we op schema. Dat is trouwens iets wat ik overgehouden heb van mijn bestaan als manager: ik ben gek op cijfers. Ik zie graag mooie sturingoverzichtjes om te kijken of de resultaten wel gehaald worden.”

Dat is wel een reden waarom managers tegenwoordig onder vuur liggen: ze kijken alleen nog maar naar de cijfers en niet naar de inhoud.

“Kijk, het gaat volgens mij om een aantal zaken. Het gaat om de mensen, het gaat om de inhoud en het gaat om de sturing. Als je met elkaar bepaalde dingen hebt bepaald, moet je ook sturen om te zorgen dat die doelen ook echt behaald worden.”

Hoe karakteriseert u uw eigen manier van leidinggeven?

“Als helder, eenduidig, met veel ruimte voor mensen. Toen ik begon als minister moest ik veel nieuw beleid inzetten. Ik ben er een voorstander van om dat samen te ontwikkelen. Dus organiseer ik vaak brainstormsessies met ambtenaren en ‘pizzabijeenkomsten’ waarbij ik mijn lijn uiteenzet en daarover wil discussiëren. ‘Kan dat, zitten we tegen de grenzen van de wet aan.’ Ik houd ervan dat mensen om me heen mij scherp houden, positief kritisch zijn en mij ook durven vertellen dat er iets niet klopt. Niet dat er iets niet kán, daar heb ik een hekel aan. Dus ik zou mijn leiderschap willen omschrijven als duidelijk en bindend.”

Wat bedoelt u met bindend?

“Dat ik graag mensen aan me bind. Ik weet van mezelf dat ik dingen raak kan zeggen. Maar ik wil ook dat mensen van me weten dat ik het nooit persoonlijk bedoel, dat ik altijd voor de zaak ga. Ik respecteer mensen om hun deskundigheid. Er zijn veel mensen die graag voor me werken, die graag op die pizzabijeenkomsten verschijnen en meedenken over nieuw beleid. Ik houd ook van directe lijnen. Ik wil tijdens de ministerraad nog wel eens een sms’je sturen van ‘hoera, stuk erdoor’ of zo. Dat is leuk. Ik vind het ontzettend belangrijk als manager om mensen met elkaar te koppelen. Die schotten tussen die afdelingen uit, die schotten tussen directies uit. Zoek elkaar eens op. De communicatie kan veel beter.”

Volgens de informatie die wij krijgen, wilt u soms te snel. U moet nog wel eens afgeremd worden.

“Ik heb veel energie, veel ideeën en zaken die ik graag zou willen veranderen. Maar goed, mensen kunnen hun tijd maar één keer indelen. De directeur-generaal zegt wel eens: ‘Even een stapje terug.’ We hebben nu afgesproken dat ik een wensenlijst maak en dat de ambtenaren dat ook doen. Zo kunnen we zien wat we nog willen bereiken in de komende twee jaar. Wat kan wel en wat kan niet. Nu zijn we bezig met de uitvoering daarvan.”

Na de moord op Theo van Gogh stond u op de Dam. Waarom deed u dat?

“Ik had sterk het gevoel dat ik daar vanuit mijn positie naartoe moest. Ik wilde mensen duidelijk maken dat ook het kabinet ziet wat er gebeurt en erbij wil zijn.”

Maar waarom was premier Balkenende daar dan niet?

“Daarom zijn vrouwen misschien ook wel heel erg belangrijk. Vrouwen hebben daar meer voelsprieten voor. Dat is ook de reden dat ik daar namens het kabinet stond.”

Die vrouwelijke eigenschappen, zet u die vaker in?

“Ik vind dat je van je vrouwelijke eigenschappen gebruik moet maken. Een keer lachen of over bepaalde onderwerpen een grapje maken. Het blijkt gewoon dat mannen dat toch wel makkelijker pikken van een vrouw dan van elkaar. Maar ik lees ook vaak: ‘Verdonk, een vrouw met ballen’ of ‘Verdonk, de enige kerel in het kabinet’. En dat is dan als compliment bedoeld. Gek eigenlijk: omdat je een duidelijke lijn neerzet, omdat je je handhaaft, word je gezien als man. Dat is heel vreemd.” 

CV Rita Verdonk

1955 > geboren in Utrecht

1967 > atheneum Niels Stensencollege in Utrecht

1975 > organisatiesociologie en criminologie aan de KU te Nijmegen

1984 > adjunct-directeur Huis van Bewaring te Scheveningen

1988 > directielid penitentiaire inrichting De Schie in Rotterdam

1992 > ambtenaar directie justitiële jeugdinrichtingen en TBS

1996 > directeur staatsveiligheid, ministerie van Binnenlandse Zaken

1999 > senior manager KPMG

2002 > directeur KPMG Atos Consulting

2003 > minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie